Indrukwekkende landschappen
De Noorse landschappen zijn zeer gevarieerd. Aan de westkust snijden diepe fjorden en dalen ver het bergland in. Hogerop liggen ruige berggebieden met scherpe toppen en graten, gletsjers en watervallen. Uitgestrekte hoogvlakten met talloze meren gaan geleidelijk over in lagere gebieden met glooiende bossen en landbouwgrond. Langs de kust liggen uitgestrekte scherenkusten met ontelbare eilandjes.
Noorse landschappen





1. Alpien landschap
Een alpien landschap wordt gekenmerkt door pieken (spitse bergtoppen) en graten (scherpe bergkammen), met daartussen karen (diepe, komvormige laagten) Deze vormen zijn ontstaan door de erosie van gletsjers. Vooral door kaargletsjers, die de bergwanden hebben uitgesleten.

Een extreem voorbeeld toont de Galdhøpiggen-wandeling in Jotunheimen. Staande bovenop deze berg zie je rondom je een zee van pieken, graten en kaargletsjers

Dit landschap is typisch alpien, met kaargletsjers die actief de karen uitdiepen, waarbij ze pieken (spitse bergtoppen) en graten (scherpe bergkammen) maken.
Er zijn in Noorwegen vier grote gebieden met een alpien landschap: twee in het zuiden, Jotunheimen en Møre, en twee in het noorden, West-Lofoten en Lyngen. Zie de onderstaande kaart met landvormen. (Landvormen zijn de vormen die het aardoppervlak heeft, zoals bergen, hoogvlakten, dalen en fjorden. Ze zijn ontstaan door natuurlijke processen, waaronder de werking van gletsjers en rivieren.)
Op de kaart staan in Zuid-Noorwegen ook twee kleinere gebieden aangegeven: Dovrefjell (bekend van de wandeling naar Snøhetta) en Rondane. In beide gebieden is alleen een klein deel van het centrale bergmassief alpien (donkerrood). Er liggen slechts een tiental toppen boven de 2000 m. Dat is een groot verschil met Jotunheimen, waar meer dan 200 toppen boven de 2000 m liggen.

Jotunheimen heeft wel veel donkerrood (alpine fjellformer) met ook meer dan 200 toppen boven de 2000 m.
(Met glasiale fjellformer bedoelt men glaciale bergvormen – bergvormen die door gletsjers zijn uitgesleten, zoals gletsjerdalen en fjorden).
(Met paleiske fjellformer bedoelt men oude, sterk afgesleten bergvormen met overwegend afgeronde toppen).
2. Glaciaal landschap
In berggebieden waar in de winter meer sneeuw valt dan er in de zomer smelt, kunnen gletsjers ontstaan en groeien. Sneeuwrijke winters en koele zomers zijn daarvoor gunstig.
Noorwegen telt ongeveer 1600 gletsjers. De huidige gletsjers zijn niet eenvoudigweg overblijfselen van de laatste ijstijd. Na het verdwijnen van de grote ijskap smolten veel kleinere gletsjers tijdens een warmere periode in het Holoceen geheel weg. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden werden de omstandigheden weer gunstiger voor de groei van gletsjers. Sindsdien zijn ze herhaaldelijk gegroeid en gekrompen. Hun grootste uitbreiding in recente eeuwen vond plaats tijdens de Kleine IJstijd, die in Noorwegen grofweg van de 15e tot de 19e eeuw duurde.
Drie gletsjertypen in Noorwegen
Gletsjers verschillen in grootte, vorm en ligging. In Noorwegen onderscheiden we drie typen:
1. Kaargletsjers
Een kaargletsjer (botnbre) ligt in een kaar (botn), een komvormige laagte in een bergwand. Kaargletsjers liggen vaak aan de lijzijde van een berg, waar sneeuw zich ophoopt, en aan de schaduwzijde, waar minder sneeuw smelt.
Een voorbeeld zijn de drie kaargletsjers (botnbreer) aan de oostzijde van de Snøhetta. Je ziet ze tijdens mijn wandeling naar de Snøhetta.

Het lichte vlak geeft de omvang van de gletsjers in 1880 aan; de gearceerde vlakken tonen de huidige omvang. De twee grootste gletsjers (1 en 2) zijn sinds 1880 ongeveer gehalveerd in oppervlakte.
De rode streepjeslijn geeft de wandelroute aan van Snøheim (toeristenhut) naar de hoofdtop Stortoppen.
Een gedetailleerde kaart van Noorwegen vind je op Norgeskart.
Kaar – Corrie (Engels) – Cwm (Welsh) – Cirque (Frans) – Botn (Noors)
Corrie (kaar) =
A large, semicircular hollow in the side of a mountain, formed by erosion caused by snow and ice.
Corries occur in areas where glaciers once formed. They sometimes contain lakes called tarns or corrie lochs.
In Wales, the term cwm is used instead of corrie. The French term cirque is also used.
STAGE 1:
At the beginning of the Ice Age, snow collected in a hollow high up in the mountains. As more snow accumulated, the lower layers were compressed and gradually turned into ice.
As the mass of snow and ice grew, some of the ice began to flow down the mountainside. A glacier was formed.

STAGE 2:
The hollow in which the snow and ice collected was gradually deepened and steepened by glacial erosion. This formed a corrie.

The back wall, sides and floor of the hollow were eroded by these processes.
At the rock lip (the threshold at the front of the corrie) (kaardrempel), the ice was thinner and plucking was less effective. However, rock fragments carried beneath the glacier scraped and smoothed the rock lip through abrasion.
STAGE 3:
When the ice melted at the end of the Ice Age, the corrie sometimes contained a lake. Such a lake is called a tarn or corrie loch in English, a kaarmeertje in Dutch and a botnsjø in Norwegian.
An example is Red Tarn, on the eastern flank of Helvellyn in the Lake District.

2. Gletsjertongen
Gletsjertongen, ook wel dalgletsjers (dalbreer) genoemd, zijn groter dan kaargletsjers en stromen door een dal. Ze zijn soms uitlopers van kaargletsjers, maar meestal van ijskappen.
De ijskap Jostedalsbreen in Noorwegen heeft tientallen gletsjertongen. Bekende voorbeelden zijn de Briksdalsbreen, Nigardsbreen en Austerdalsbreen. Deze laatste ligt bij mijn wandeling door het Austerdalen.
In mijn teksten gebruik ik alleen de term gletsjertong, niet dalgletsjer.
3. IJskappen
Voorbeelden:
a. Jostedalsbreen (ca. 480 km²) is de grootste ijskap van het Europese vasteland. Hij ligt niet op een plateau, maar bedekt een bergachtig gebied met hoge bergen en diepe dalen. Daarom noemen we hem geen plateaugletsjer (platåbre).
De volgende twee ijskappen liggen wel op een plateau. We kunnen ze daarom zowel ijskap als plateaugletsjer noemen:
b. Folgefonna (ca. 200 km²)
c. Hardangerjøkulen (ca. 80 km²) Zie mijn wandeling naar Blåisen.
Belangrijkste ijskappen
Bij verschillende wandelingen loop je naar een gletsjertong. Onder begeleiding van een gids kun je ook op een gletsjer lopen. Dat heet brevandring (gletsjerwandelen). Daarom volgt hier een korte introductie over de belangrijkste ijskappen en hun gletsjertongen.
Sommige ijskappen zijn plateaugletsjers. Ze liggen op een hooggelegen, betrekkelijk vlak gebied, het firnplateau, het centrale deel, waar sneeuw zich ophoopt en tot firn wordt samengeperst. Vanuit dit gebied stroomt het ijs als gletsjertongen in verschillende richtingen door de dalen naar beneden.
Plateaugletsjers komen onder andere voor in Noorwegen en IJsland. In Zuid-Noorwegen zijn Folgefonna en Hardangerjøkulen bekende voorbeelden.
Van groot naar klein:
- Folgefonna (ca. 200 km²)
- Hardangerjøkulen (ca. 80 km²)
Let op: Jostedalsbreen (ca. 480 km²) is veel groter, maar geen plateaugletsjer. Deze ijskap bedekt een bergachtig gebied met hoge bergen en diepe dalen.
De namen van Noorse ijskappen en gletsjertongen eindigen vaak op bre, fonn, is of jøkul. Deze woorden verwijzen naar een gletsjer of ijs.
Naast deze drie grote ijskappen zijn er in Zuid-Noorwegen tientallen kleinere gletsjers. Veel daarvan liggen in Breheimen nasjonalpark en Jotunheimen.

Veel Noorse gletsjers bereikten hun grootste omvang tijdens de Kleine IJstijd. Het tijdstip verschilde per gebied, maar voor veel gletsjers lag het maximum rond het midden van de achttiende eeuw. De Nigardsbreen, een gletsjertong van Jostedalsbreen, breidde zich in die periode sterk uit en bedolf rond 1743 de boerderij Nigard.
Sindsdien zijn veel gletsjers kleiner geworden. Sommige groeiden tijdelijk weer aan, maar sinds ongeveer 2000 is het slinken van veel gletsjers versneld door de stijgende zomertemperaturen.
Opwarming van de aarde:
Wil je zelf eens naar een gletsjer wandelen of onder begeleiding van een gids een gletsjer op gaan (brevandring)? Dat kan nog steeds, maar gletsjers veranderen snel. Naar verwachting zullen veel Noorse gletsjers deze eeuw sterk slinken.
Naast de hierboven genoemde drie ijskappen in Zuid-Noorwegen zijn er ook nog twee in Noord-Noorwegen. Ik zal ze hieronder alle vijf kort bespreken.
1. Jostedalsbreen (ca. 460 km²)
De Jostedalsbreen is de grootste ijskap van het Europese vasteland. Alleen de Vatnajökull op IJsland is groter. De ijskap ligt tussen de Sognefjord en de Nordfjord en is van noord naar zuid ongeveer 60 km lang.
- Het hoogste punt van de ijskap is de Høgste Breakulen (1957 m). De Lodalskåpa (2083 m) is een hogere berg in het gebied (zie kaart).
- Onder het ijs liggen hoge bergen en diepe dalen en kommen. Het onderliggende landschap is dus veel minder vlak dan het oppervlak van de ijskap doet vermoeden.
Het reliëf onder de ijskap:
Lange tijd werd de Jostedalsbreen beschouwd als een plateaugletsjer. Men ging ervan uit dat het ijs grotendeels op een bergplateau of bergrug lag. Met speciale radarapparatuur is later de dikte van het ijs gemeten en het onderliggende terrein in kaart gebracht. Daaruit bleek dat het reliëf onder het ijs verrassend gevarieerd is, met diepe dalen en kommen. Sommige zijn komvormig, andere langgerekt.


vier bekende gletsjertongen:
De Jostedalsbreen heeft tientallen gletsjertongen die vanuit de ijskap in de omliggende dalen afdalen. Vier bekende voorbeelden zijn de Briksdalsbreen, Nigardsbreen, Bøyabreen en Austerdalsbreen.
1. Briksdalsbreen:
De Briksdalsbreen is een steile, relatief korte gletsjertong aan de westkant van de Jostedalsbreen. Over een afstand van iets meer dan 2 km daalt het ijs van ongeveer 1600 m naar 550 m hoogte. De tong eindigt hoog boven het dalmeer Briksdalsvatnet.
Tussen 1932 en 1951 week de gletsjertong ongeveer 800 m terug. Daardoor ontstond vóór de gletsjer een klein meer. Later bedekte het oprukkende ijs het water opnieuw, waarna het meer in 2008 weer zichtbaar werd.


2. Nigardsbreen:
De Nigardsbreen stroomt vanuit het oostelijke deel van de Jostedalsbreen naar het Jostedalen. De S-vormige gletsjertong is ongeveer 9 km lang en daalt af tot circa 400 m boven zeeniveau. Honderd jaar geleden was de tong bijna 3 km langer..
De naam verwijst naar de boerderij Nigard, die rond 1750 door oprukkend ijs werd verwoest. In ongeveer vijftig jaar tijd was de gletsjer meerdere kilometers vooruitgeschoven. De gletsjertong bereikte toen een punt dat circa 4,5 km verder lag dan het huidige uiteinde.
Sinds 2000 is de gletsjer aanzienlijk korter geworden. Het gebied is populair bij bezoekers en er worden onder begeleiding gletsjerwandelingen georganiseerd.
Bekijk de video op YouTube

De S-vormige gletsjer is ongeveer 9 km lang en daalt af naar 400 m boven zeeniveau. Honderd jaar geleden was hij bijna 3 km langer.



3. Bøyabreen:
De Bøyabreen daalt aan de zuidkant van de Jostedalsbreen af in de richting van Fjærland. Beneden ongeveer 1300 m gaat de relatief vlakke ijskap over in een steile ijsval, die tot circa 600 m hoogte reikt. Soms breekt ijs van de tong af en valt het nog eens honderden meters naar beneden. Het ijs hoopt zich lager in het dal op en vormt daar een geregenereerde gletsjer.
De Bøyabreen is gemakkelijk te zien vanaf de Rv5 bij Fjærland. De sterke afname van de gletsjertong is een duidelijk zichtbaar voorbeeld van de veranderingen die gletsjers onder invloed van het klimaat doormaken.


4. Austerdalsbreen:
De Austerdalsbreen wordt gevoed door drie ijsvallen: de Odinsbreen, Torsbreen en Lokebreen. De eerste twee voeren het ijs vanaf de ijskap ongeveer 800 m omlaag naar het Austerdalen. In de negentiende eeuw voegde ook de Lokebreen zich bij deze gletsjertong.
In het dal vormt het ijs een bijna 3 km lange, relatief vlakke tong. De Austerdalsbreen staat bekend om zijn fraaie ogieven: gebogen banden in het ijs die onderaan de ijsvallen ontstaan. Het uiteinde van de gletsjer ligt deels in het water.
De Austerdalsbreen is ook bekend vanwege een klassieke gletsjertocht door het gebied. In 1894 voltooide en beschreef de Britse bergbeklimmer William Cecil Slingsby een oversteek vanaf Tungestølen over de Jostedalsbreen, via Kattenakken naar Briksdal.

2. Søndre-Folgefonna (ca. 150 km²)
De Folgefonna is de zuidelijkste ijskap van Noorwegen. De naam is een verzamelnaam voor drie afzonderlijke ijskappen, waarvan de zuidelijke (Søndre-Folgefonna) met ca. 150 km² veruit de grootste is. Ze liggen ten westen van de Hardangervidda, op een schiereiland tussen de Hardangerfjord en de Sørfjord. Odda is een uitvalsbasis voor wandelingen naar de gletsjers.
Het hoogste punt is de Høgste Breakulen (1662 m), aangegeven op de kaart.
De Folgefonna heeft een extreem maritiem klimaat, met jaarlijks meer dan 5000 mm neerslag.


Net als op de Hardangervidda ligt onder het ijs een bergplateau met een zwak golvend reliëf. Het plateau ligt op ongeveer 1200 tot 1400 m hoogte. Het ijs is plaatselijk maximaal 250 m dik.
Enkele wandelmogelijkheden
1. Heen-en-terugwandeling naar de gletsjertong
Nedre-Buarbreen (1.20 + 1.00 = 2.20 uur; middelzwaar).
Vroeger vormde de Buarbreen één gletsjertong. Door het slinken van de gletsjer is deze nu verdeeld in Nedre Buarbreen (Beneden-Buarbreen) en Øvre Buarbreen (Boven-Buarbreen).
2. Tweedaagse lijnwandeling over de plateaugletsjer
Een zware oversteek van de Folgefonna in twee dagen (26 km; 1500 hoogtemeters; zeer zwaar).
Op de eerste dag loop je vanaf de parkeerplaats in Sunndal door het Bondhusdalen omhoog. Je passeert het Botnavatnet en de hut Breidablikk en loopt verder naar de hut Fonnabu.
Op de tweede dag steek je met een gids de plateaugletsjer over naar de hut Holmaskjer om vervolgens af te dalen naar Tokheim. ’s Avonds reis je met de bus van Odda terug naar Sunndal.
Routebeschrijving: ut.no/kart/tur/118466/

3. Hardangerjøkulen (ca. 60 km²)
Deze plateaugletsjer ligt aan de noordrand van de Hardangervidda. De ijskap bedekt een hooggelegen plateau en heeft verschillende gletsjertongen die naar de omliggende dalen stromen.
Het hoogste punt ligt op 1861 m. De gletsjer wordt dunner en kleiner. De maximale ijsdikte is bij eerdere metingen vastgesteld op ongeveer 380 m.


De stippellijnen geven de verschillende uitstroombekkens aan.
De G’s markeren de grotere gletsjertongen.
Hardangerjøkulen heeft veel gletsjertongen
Een bekende gletsjertong is Blåisen, aan de oostkant van Hardangerjøkulen. Je kunt er vanaf het station Finse naartoe wandelen. Finse ligt aan de spoorlijn tussen Bergen en Oslo.
Blåisen – wandelroute vanaf Finse
Blåisen stroomt vanaf de hoogste ijskapkoepel (1863 m) in oostelijke richting en buigt verderop af naar het noordoosten. Op een nunatak in het bovenste deel staat de kleine hut Jøkulhytta. Een nunatak is een bergtop of rots die volledig door gletsjerijs wordt omringd.
Vlak bij het uiteinde is de gletsjertong steil en doorsneden door gletsjerspleten. De tong is de laatste jaren iets opgerukt. Het uiteinde ligt ongeveer 700 m achter de buitenste eindmorenewallen, die tijdens de Kleine IJstijd (ca. 1430–1750) zijn gevormd.

Noord-Noorwegen heeft ook twee grote ijskappen:
1. Vestre Svartisen (ca. 190 km²)
2. Blåmannsisen (ca. 80 km²)
1.Vestre Svartisen (ca. 190 km²):
Vestre Svartisen is het westelijke deel van Svartisen. (Er bestaat namelijk ook nog een kleiner Østre Svartisen (ca. 130 km2)
De naam Svartisen verwijst naar de donkere, blauwachtige kleur van het oude gletsjerijs, in tegenstelling tot de witte sneeuw.
Vanuit Vestre Svartisen stroomt de bekende gletsjertong Engabreen naar het noordwesten, in de richting van Holandsfjorden. De gletsjertong daalt af tot vlak bij Engabrevatnet, een meer dicht bij de fjord.
2. Blåmannsisen (ca. 80 km²)
Blåmannsisen ligt in de provincie Nordland, ten noorden van Sulitjelma en vlak bij de Zweedse grens.

Hoe ontstaan gletsjers?
Gletsjers ontstaan wanneer er in de loop van jaren meer sneeuw valt dan er smelt. De sneeuw hoopt zich op en wordt door het gewicht van de bovenliggende lagen samengedrukt tot ijs. Het hoge deel van de gletsjer waar sneeuw zich ophoopt en in ijs wordt omgezet, heet de accumulatiezone.
Onder de enorme druk wordt het ijs vervormbaar en kan het onder invloed van de zwaartekracht langzaam naar beneden stromen, vanuit de accumulatiezone richting de afsmeltingszone. Aan het uiteinde van de gletsjer smelt het ijs.
Gletsjers bewegen
Het gewicht van het ijs zet een gletsjer in beweging. Onder hoge druk vervormt het ijs en kan het langzaam stromen. De meeste Noorse gletsjers bewegen zich met een snelheid van enkele centimeters tot 1 à 2 meter per dag.
De snelheid verschilt echter sterk binnen één gletsjer.
– Zowel de dalbodem als de dalwanden remmen de ijsstroom af.
– De snelheid is het grootst bij ijsvallen. Die ontstaan waar de gletsjer over een steiler deel van de ondergrond stroomt. In steile ijsvallen zijn snelheden tot ongeveer 2 meter per dag gemeten.
– Helemaal boven in de gletsjer en bij het gletsjerfront is de beweging doorgaans gering.
Door verschillen in de stroomsnelheid ontstaan strekspanningen in het ijs. Wanneer die te groot worden, scheurt het ijs en ontstaan gletsjerspleten. Deze zijn zelden dieper dan 30 à 40 meter. Op grotere diepte is het ijs door de hoge druk vervormbaar, waardoor de spleten zich sluiten.
Gletsjerspleten komen vaak voor bij een ijsval, langs de gletsjerrand en bij het gletsjerfront. Ze kunnen bedekt zijn door sneeuwbruggen, waardoor ze moeilijk te herkennen en gevaarlijk zijn om over te steken.
Glaciale erosie
Glaciale erosie is de uitschurende werking van gletsjerijs op de ondergrond. Dit gebeurt op twee manieren: door plukken, het loswrikken en meenemen van stukken gesteente, en door het schuren van gesteentepuin over de rotsbodem.
1. Plukken (Plucking)
Smeltwater dringt in spleten en scheuren van de rotsbodem. Wanneer het water bevriest, zet het uit en kunnen scheuren verder open worden gedrukt. Dit proces heet vorstverwering.
Het ijs van de gletsjer kan zich aan het gesteente vasthechten. Wanneer de gletsjer verder stroomt, trekt het stukken gesteente los en voert die mee. Dit proces heet plukken.
2. Schuren (Abrasion)
Het losgewrikte gesteente komt vast te zitten in de onderkant van de gletsjer. Terwijl het ijs over de rotsbodem stroomt, schuren de stenen en het zand over het gesteente. Daardoor wordt het oppervlak afgesleten en gladgeschuurd. Dit proces heet schuren.
Bultrotsen
Glaciale erosie laat verschillende sporen in het landschap achter. Gletsjers kunnen diepe kommen en bekkens uitschuren, maar ook de oorspronkelijke verhevenheden in het terrein stroomlijnen. Zo ontstaan bultrotsen: gladgeschuurde rotsbulten met een duidelijke voor- en achterzijde.
De vorm van een bultrots geeft aanwijzingen over de stroomrichting van de gletsjer. Bultrotsen variëren in grootte van ongeveer één meter tot meer dan honderd meter.

Aan de stootzijde is de bultrots meestal glad en loopt het oppervlak geleidelijk omhoog. Vaak zijn er gletsjerkrassen zichtbaar. Deze ontstonden doordat stenen en zand die in het ijs vastzaten over het gesteente schuurden.
Aan de lijzijde is de rots vaak steil en hoekig, met ruwe breukvlakken. Hier kan de druk op het ijs afnemen, waardoor smeltwater bevriest en het ijs stukken gesteente loswrikt. Dit is het proces van plucking.

Erosie en afzetting van gesteentepuin
Een gletsjer schuurt het onderliggende gesteente af en neemt het losgemaakte materiaal mee. Onder sommige Noorse gletsjertongen slijt het vaste gesteente met meer dan 1 mm per jaar af. Dat is meer dan 1 meter in duizend jaar.
Het meegevoerde gesteentepuin bestaat uit grote stenen, gruis, zand en fijn materiaal. Wanneer het ijs smelt, blijft een deel hiervan achter als grondmorene (till).
Dit materiaal is ongesorteerd: grote stenen liggen door elkaar met zand, klei en fijn materiaal. De stenen zijn vaak hoekig of weinig afgerond. De afzetting is niet gelaagd en kan slecht waterdoorlatend zijn.
De dikte van de grondmorene verschilt sterk. Plaatselijk is de laag meerdere meters dik, maar elders is deze veel dunner of vrijwel afwezig.

Morenen
Wanneer een gletsjer oprukt, duwt hij soms gesteentepuin voor zich uit. Aan het uiteinde kan daardoor een eindmorene ontstaan: een ophoping van puin die door het ijs wordt opgestuwd of afgezet.
Langs de zijkanten van een gletsjer hopen stenen en ander puin zich op tot zijmorenen. Waar twee gletsjerarmen samenkomen, kunnen hun zijmorenen samensmelten tot een middenmorene. Deze vormt een strook gesteentepuin op het ijsoppervlak.
Glaciale landvormen
De ijstijden hebben het landschap van Noorwegen sterk gevormd. Gletsjers sleten dalen en rotsen uit en lieten grote hoeveelheden gesteentepuin achter. Zo ontstonden allerlei glaciale landvormen.
Een overzicht van belangrijke glaciale landvormen vind je op de Engelstalige pagina Glaciated upland landscapes. Bij verschillende landvormen staan ook de Noorse namen.
3. Gletsjerdalen en fjorden
1. U-vormige dwarsdoorsnede van een gletsjerdal
Rivierdalen in berggebieden hebben vaak een V-vormige dwarsdoorsnede (dwarsprofiel).
Veel van deze dalen werden tijdens de ijstijden door gletsjers uitgesleten tot brede, U-vormige dalen, met een brede dalbodem en steile dalwanden. Zulke dalen worden trogdalen genoemd.
Een rivier schuurt vooral de smalle bedding onder in het dal uit. Een gletsjer daarentegen beperkt zich niet tot de dalbodem, maar schuurt ook de onderste delen van de dalwanden. Daardoor wordt de dalbodem breder en worden de dalwanden steiler.
Na het verdwijnen van het ijs kan de dalbodem verder vervlakken. Dat gebeurt bijvoorbeeld doordat meren worden opgevuld met sediment en rivieren zand en grind afzetten.
Het ontstaan van een U-vormige dwarsdoorsnede

- Voor de ijstijd: een rivier snijdt een V-vormig dal uit.
- Tijdens de ijstijd: een dikke gletsjer schuurt de dalbodem en de dalwanden af en neemt gesteente mee. Het dal wordt breder en dieper en krijgt een U-vormige dwarsdoorsnede.
- Na de ijstijd: het ijs smelt en een rivier stroomt weer door het dal. Deze rivier is vaak klein in verhouding tot de breedte van het dal. Zo’n rivier wordt een hongerrivier genoemd. Op de dalwanden kan door vorstverwering veel hellingpuin ontstaan.
Hoe diep een gletsjer een dal uitschuurt
Dit hangt onder meer af van de hardheid van het gesteente en de dikte en stroomsnelheid van het ijs.
Zijgletsjers zijn meestal kleiner en dunner dan de hoofddalgletsjer. Daardoor schuren ze hun dalen doorgaans minder diep uit. Na het smelten van het ijs liggen de zijdalen daardoor hoger dan het hoofddal. Dit zijn hangende zijdalen (zie tekening B).
Bij rivierdalen is dit hoogteverschil meestal kleiner, doordat zijrivieren hun dalen doorgaans verder kunnen uitschuren tot nabij de bodem van het hoofddal.

A. Tijdens de ijstijd
Een dikke gletsjer vult het hoofddal. Ook de zijdalen zijn met ijs gevuld, maar de zijgletsjers zijn dunner dan de hoofddalgletsjer.
B. Na de ijstijd
Het ijs smelt. In het hoofddal kunnen een rivier en langgerekte meren achterblijven. De zijdalen liggen hoger en monden vaak uit boven de bodem van het hoofddal. Dit zijn hangende zijdalen met dikwijls een aanpassingskloof en hoge waterval bij de dalmonding.
C. Opvulling van het dal
Een rivier kan zand en grind aanvoeren en afzetten op de bodem van het hoofddal. Daardoor kan deze bodem verder worden opgehoogd.
D. Ontstaan van een fjord
Als een gletsjer een dal tot onder zeeniveau uitschuurt, kan na het smelten van het ijs zeewater het dal binnendringen. Zo ontstaat een fjord: een diepe, langgerekte zeearm met steile wanden, gevormd uit een voormalig gletsjerdal.
In fjorden kan ook sediment worden afgezet. Vooral waar rivieren aan het binnenste uiteinde van een fjord uitmonden, kan een delta ontstaan. Een voorbeeld is Lysebotn, aan het binnenste uiteinde van de Lysefjord. Zie ook de wandelbeschrijving van Kjerag.

Hangende zijdalen met watervallen
Zijgletsjers schuren hun dalen minder diep uit dan de hoofddalgletsjer. Na het smelten van het ijs liggen de U-vormige zijdalen daardoor hoger dan het hoofddal. Waar een rivier vanuit zo’n hangend zijdal in het hoofddal uitkomt, kan het water via een steile rotswand naar beneden storten. Daarbij kunnen een aanpassingskloof en een waterval ontstaan.
Bekende voorbeelden in Noorwegen zijn:
…
…
2. Lengtedoorsnede van een gletsjerdal: trogvormige bekkens en rotsdrempels

1. Trogvormige bekkens
Trogvormige bekkens zijn diep uitgesleten delen van een gletsjerdal. Ze ontstaan waar de gletsjer de dalbodem sterker uitschuurt. Het gesteente is daar vaak relatief zacht. De bekkens kunnen tientallen tot honderden meters diep zijn.
Na het smelten van de gletsjer kunnen de bekkens zich vullen met langgerekte meren (ribbon lakes). Gletsjerrivieren voeren sediment aan, dat zich in de meren afzet. Bij de riviermonding kunnen delta-afzettingen ontstaan. Door verdere sedimentafzetting kunnen de meren geleidelijk ondieper worden. Er kunnen brede spoelzandvlaktes van rivierzand en -grind ontstaan.
2. Rotsdrempels
Rotsdrempels zijn ruggen van relatief hard gesteente die dwars door het dal lopen. Het harde gesteente slijt minder sterk uit dan de zachtere delen. Daardoor blijven de rotsdrempels hoger liggen tussen de trogvormige bekkens.

Puinhelling:
Bij een U-dal is de overgang tussen de dalwand en de dalbodem vaak bedekt met puin dat van de dalwand naar beneden is gevallen. Dit vormt een puinhelling.
Afwisseling tussen bekkens en rotsdrempels:
De afwisseling tussen brede en smalle gedeelten in U-dalen en tussen trogvormige bekkens en rotsdrempels wordt meestal veroorzaakt door verschillen in de hardheid van het gesteente.
Aanpassingskloven en watervallen:
Sommige rivieren stromen bij het boveneinde van een gletsjerdal over een steile rotswand naar beneden. Daar kunnen een smalle kloof, een aanpassingskloof, en een waterval ontstaan. Bekende voorbeelden zijn:
- de Vøringfossen in het Måbødalen,
- de Stigfossen met Trollstigen in het Isterdalen,
- de Rjukanfossen in het Vestfjorddalen

Mooiste watervallen in Noorwegen
In voormalige gletsjerdalen komen veel watervallen voor, vooral aan het boveneinde van de dalen en bij de monding van hangende zijdalen. Tijdens je vakantie in Noorwegen zul je er dus vanzelf een aantal zien.
Toch is het handig om te weten welke watervallen er bijzonder uitspringen. Daarvoor kun je de onderstaande Top 10 gebruiken. Deze verscheen in 2014 in de Noorse krant Dagbladet. De krant organiseerde een verkiezing voor Norges flotteste foss (Noorwegens mooiste waterval), waaraan meer dan 10.000 lezers deelnamen. Zij konden onder meer letten op de grootte, bekendheid, aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van de watervallen.
De Top 10 van de verkiezing van 2014 zag er als volgt uit:
Noorwegens 10 mooiste watervallen
1. Vettisfossen, Utladalen
2. Langfoss, Åkrafjorden
3. Vøringsfossen, Måbødalen
4. Låtefossen, ten zuiden van Odda
5. Dei Sju Systrene, Geiranger
6. Mardalsfossen, Eikesdalen
7. Feigefossen, Skjolden
8. Tvindefossen, ten noorden van Voss
9. Kjosfossen, aan de Flåm-spoorlijn
10. Kjelfossen, Gudvangen
Twee watervallen uit deze Top 10 komen voor in mijn wandelcollectie.
1. Vettisfossen, Utladalen
Een grote rivierkloof in West-Jotunheimen met drie hoge watervallen. De Vettisfossen is mogelijk de hoogste ongereguleerde waterval van Noorwegen.
3. Vøringsfossen, Måbødalen
Een canyon aan de westrand van de Hardangervidda, met onder andere de Vøringsfossen. Deze waterval behoort tot de grootste gereguleerde watervallen van Noorwegen.

De Noorse landschappen hebben nog veel meer prachtige watervallen, die niet onderdoen voor die uit de Top 10. Ook in mijn wandelcollectie komen er een aantal voor:
Husedalen
Een dal aan de westrand van de Hardangervidda, bij Kinsarvik, met een reeks van vier watervallen. Twee daarvan zijn grote watervallen: de Nyastølfossen en de Søtefossen.
Åmotan
Twee grote rivierkloven aan de noordrand van de Dovrefjell, met drie watervallen. Twee daarvan zijn de grote watervallen Svøufallet en Linndalsfallet.
Flåmsdalen
Een wild dal aan het zuidelijke uiteinde van de Aurlandsfjorden, een zijfjord van de Sognefjorden. Hier liggen onder andere de grote watervallen Kjosfossen en Rjoandefossen.
Fidjadalen
Een wild dal met onder andere de grote waterval Månafossen, de voormalige boerderij Mån, de steenlawine Månaura en het Månavatnet.
Tovdal
Het wilde bovenste deel van Tovdal, ten oosten van het Setesdal, met onder andere de grote waterval Rjukanfossen en de voormalige seter Ånebjør. Het bovenste deel van het dal is ook een goed gebied om Bevers en Elanden te zien.