Snel naar:
Voor de wandelaar zijn in Noorwegen vijf boomsoorten van belang: drie berkensoorten, de Grove den en de Fijnspar.

1. Berk (Bjørk)
In Noorwegen komen drie soorten berk voor:
- Ruwe berk (Hengebjørk / Lavlandsbjørk) (Betula pendula)
- Zachte berk (Vanlig bjørk) (Betula pubescens)
- Dwergberk (Dvergbjørk) (Betula nana)
De eerste twee zijn bomen; de Dwergberk is een lage struik.
Ruwe berk en Zachte berk kunnen met elkaar kruisen, waardoor het soms moeilijk is om duidelijke grenzen tussen beide soorten te trekken.
De Zachte berk komt in Noorwegen het meest voor. De Noorse naam Vanlig bjørk betekent dan ook Gewone berk. De Fjellberk (Fjellbjørk) (Betula pubescens subsp. czerepanovii) is een ondersoort van de Zachte berk en komt daardoor ook hoog in de bergen voor.
Berken zijn typische pioniersoorten, net als Ratelpopulier. Ze produceren veel zaad, verspreiden dat over grote afstanden en groeien snel wanneer ze jong zijn. Ze zijn lichtbehoevend en stellen weinig eisen aan de voedselrijkdom van de bodem.
Voor de wandelaar in de fjell zijn vooral de Fjellberk in het fjellberkenbos en de Dwergberk in de kaalfjell van belang. Beide dragen sterk bij aan de herfstkleuren. Vooral de Dwergberk kan in allerlei tinten rood, oranje en geel kleuren.
De Fjellberk speelde vroeger een belangrijke rol bij de seters. Het hout werd vooral als brandhout gebruikt, maar ook de schors en twijgen hadden allerlei toepassingen. Zo werd berkenschors gebruikt als onderlaag bij een turfdak en werden berketwijgen verwerkt tot bezems.
Ruwe berk
Ruwe berk (Hengebjørk / Lavlandsbjørk) (Betula pendula)
De Ruwe berk komt in Europa verder naar het zuiden voor dan de Zachte berk. Ze heeft meer warmte nodig en verdraagt grotere droogte.
In Noorwegen kan de Ruwe berk uitgroeien tot een boom van ongeveer 30 m hoog. Ze groeit vooral in het laagland, op droge, zandige bodems.
Kenmerken:
- hangende twijgen;
- bovenaan een stam met witte schors;
- kale twijgen met wrattige harskliertjes – vandaar de naam Ruwe berk;
- vooral op droge, zandige bodems.

Ze heeft hangende twijgen.
Bij volwassen bomen is de schors onderaan de stam gegroefd.
.
Zachte berk
Zachte berk (Vanlig bjørk) (Betula pubescens)
De Zachte berk komt in Europa verder naar het noorden voor dan de Ruwe berk. Ze verdraagt meer kou en hogere grondwaterstanden.
In het laagland kan ze ongeveer 20 m hoog worden. Ze blijft daarmee meestal kleiner dan de Ruwe berk.
Kenmerken:
- geen hangende twijgen;
- stam met gladde, grauwe schors;
- twijgen en jonge bladeren zijn zacht behaard;
- groeit vooral op vochtige en venige bodems.

Twijgen hangen niet, maar blijven schuin omhoog staan.
De stam heeft een gladde, grauwe schors.
In Nederland zie je de Zachte berk o.a. massaal in hoogveengebieden als Bargerveen (Drenthe).
Fjellberk
Fjellberk (Fjellbjørk) (Betula pubescens subsp. czerepanovii)
De Fjellberk is een ondersoort van de Zachte berk. De kenmerkende groeivorm is vooral ontstaan onder invloed van de omstandigheden in de bergen.
De Fjellberk is meestal een lage, kromme en meerstammige boom. Op beschutte plaatsen en onder gunstige omstandigheden kan ze echter ook een rechte stam en een regelmatige kroon vormen.
De vorm van de Fjellberk wordt sterk beïnvloed door sneeuw en wind. Sneeuwdruk en sneeuwbreuk kunnen takken en stammen vervormen of afbreken. Daardoor ontstaan vaak merkwaardige, gedraaide boomvormen.
Fjellberken hebben meestal witte berkenschors, maar de stam kan vanaf enige hoogte boven de grond donker worden. Dat komt doordat korstmossen die daar groeien de winter niet overleven onder het sneeuwdek. De hoogte waarop de donkere schors begint, kan daardoor een aanwijzing zijn voor de gemiddelde sneeuwhoogte.
Fjellberken kunnen zich niet alleen door zaad verjongen, maar ook door wortelopslag. Bij oude bomen kunnen aan de wortels knoppen ontstaan waaruit nieuwe scheuten groeien.
De Fjellberk kan onder zowel voedselrijke als voedselarme omstandigheden groeien. Daardoor bestaan er verschillende typen fjellberkenbos, elk met een eigen ondervegetatie. Op hellingen met een kalkrijke bodem kan het fjellberkenbos bijzonder soortenrijk zijn.
De bomen blijven door wind en sneeuw laag, maar kunnen wel opvallend dikke stammen krijgen. Hun gedraaide stammen en takvorken bieden bovendien goede nestgelegenheid aan Kramsvogel en Koperwiek.

.
Dwergberk
Dwergberk (Dvergbjørk) (Betula nana)
De Dwergberk is geen boom maar een lage struik. Afhankelijk van de omstandigheden kruipt ze over de grond of groeit ze struikvormig tot ongeveer kniehoogte.
De bladeren zijn klein en rond, ongeveer 1 cm in doorsnede, met een getande rand. In de herfst kleuren ze vaak prachtig rood.
In het laagland groeit de Dwergberk vooral op venen. In de bergen is ze algemeen in de kaalfjell, waar ze vaak samen groeit met heide en wilgen. Langdurige sneeuwbedekking verdraagt ze echter slecht.


2. Grove den
Grove den (Furu) (Pinus sylvestris)
De Grove den is een lichtbehoevende boom die droogte goed verdraagt en weinig eisen stelt aan de voedselrijkdom van de bodem.
In het laagland groeit ze uit tot een hoge, slanke boom. In het fjellbos heeft ze het veel moeilijker. Sneeuwdruk en sneeuwbreuk zorgen daar vaak voor merkwaardige boomvormen.
Typisch voor de Grove den in het fjellbos is draaigroei. De houtvezels lopen daarbij spiraalvormig in de lengterichting van de stam. Deze groeivorm valt vooral op bij bomen die onder moeilijke omstandigheden groeien.
De Grove den kan zich na een bosbrand goed herstellen. De dikke schors beschermt de stam tegen het vuur en de hoge kroon blijft vaak buiten het bereik van de vlammen.
Een Grove den kan ongeveer 500 jaar oud worden. Een dode den, een tørrfuru (letterlijk: droge den), kan nog enkele eeuwen in het landschap blijven staan.


3. Fijnspar
Fijnspar (Gran) (Picea abies)
De Fijnspar is economisch de belangrijkste boomsoort in de Noorse bossen. Ze is schaduwtolerant in haar jeugd, heeft voldoende vocht nodig en stelt hogere eisen aan de bodem dan de Grove den.
De Fijnspar groeit vooral op diepere en voedselrijkere bodems. Daardoor groeit ze vooral op de beste bosgronden, terwijl Grove den en Berk vooral op armere bodems voorkomen.
In de fjell kan de Fijnspar zich niet alleen door zaad verjongen, maar ook vegetatief. Afhangende takken kunnen onder gunstige omstandigheden opnieuw wortel schieten. Dit wordt aflegging genoemd.
Zware sneeuwval en ijzel kunnen ervoor zorgen dat takken naar de grond buigen. Wanneer zo’n tak wortel schiet, ontstaat een nieuwe boom. Na verloop van tijd kan de verbinding met de oorspronkelijke boom verdwijnen. Zo kunnen cirkelvormige groepjes Fijnsparren ontstaan, soms met een opening in het midden waar de oorspronkelijke boom heeft gestaan.
Door deze vegetatieve voortplanting kan de Fijnspar ook op grotere hoogte overleven, nadat een boom daar ooit onder gunstige omstandigheden uit zaad is ontstaan.


4. Naaldbossen in Noorwegen
De Noorse naaldbossen vormen een deel van de grote Euraziatische naaldbosgordel. Het klimaat wordt gekenmerkt door koude winters met langdurige sneeuw en korte, maar relatief warme zomers.
Voor loofbomen met grote bladeren is de vegetatieperiode te kort. Alleen enkele kleinbladige loofbomen kunnen zich hier goed handhaven, zoals Berk, Ratelpopulier en verschillende wilgensoorten.
Van de grote naaldbomen zijn in Noorwegen van nature vooral de Grove den en de Fijnspar inheems.
Na het terugtrekken van het landijs vestigde de Zachte berk zich al vroeg in Noorwegen. Ongeveer 10.000 jaar geleden volgde de Grove den.
De Fijnspar bereikte Noorwegen veel later. Ongeveer 2500 jaar geleden begon de soort zich sterk uit te breiden. Deze uitbreiding gaat nog steeds door. De Fijnspar verdrong op veel plaatsen zowel de Grove den als verschillende loofboomsoorten. De Grove den bleef daardoor vooral op de droogste en voedselarmste bodems over.
De Grove den heeft in Zuid-Noorwegen een groot verspreidingsgebied en komt tot aan de westkust. De Fijnspar ontbreekt daar van nature grotendeels. De soort heeft de westkust op eigen kracht nog niet overal bereikt. Op verschillende plaatsen is de Fijnspar echter door de mens aangeplant en groeit ze daar goed.

5. Fjellbos – de subalpiene zone
Het fjellbos vormt de overgang van het produktieve naaldbos naar de kaalfjell. Het ligt als een gordel boven de bosgrens van het naaldbos.
In Noorwegen bestaat het fjellbos meestal uit Fjellberkenbos. De dominerende boomsoort is de Fjellberk (Betula pubescens subsp. czerepanovii), een ondersoort van de Zachte berk.
De hoogte en vorm van de Fjellberk hangen sterk af van de omstandigheden. Op onbeschutte plaatsen blijft ze vaak laag en krom door sneeuwdruk en wind. Op meer beschutte plaatsen kan ze ongeveer 5 m hoog worden en een rechte stam hebben.
Naast de Fjellberk kunnen enkele andere winterharde loofbomen en hoge struiken voorkomen, zoals Wilde lijsterbes, Boswilg, Vogelkers, Ratelpopulier en Witte els. Plaatselijk komen ook Grove den en Fijnspar voor.
Slechts heel plaatselijk bestaat het fjellbos uit Fjelldennenbos, met de Grove den als belangrijkste boomsoort.
