Gedegen informatie over mooie langeafstandspaden en dagwandelingen!

Noorse landschappen

Indrukwekkende landschappen

De Noorse landschappen zijn zeer gevarieerd. Aan de westkust snijden diepe fjorden en dalen ver het bergland in. Hogerop liggen ruige berggebieden met scherpe toppen en graten, gletsjers en watervallen. Uitgestrekte hoogvlakten met talloze meren gaan geleidelijk over in lagere gebieden met glooiende bossen en landbouwgrond. Langs de kust liggen uitgestrekte scherenkusten met ontelbare eilandjes.

1. Alpien landschap

Een alpien landschap wordt gekenmerkt door pieken (spitse bergtoppen) en graten (scherpe bergkammen), met daartussen karen (diepe, komvormige laagten) Deze vormen zijn ontstaan door de erosie van gletsjers. Vooral door kaargletsjers, die de bergwanden hebben uitgesleten.

Alpien landschap betekent met pieken en graten tussen karen (cirques) met steile achterwanden.

Een extreem voorbeeld toont de Galdhøpiggen-wandeling in Jotunheimen. Staande bovenop deze berg zie je rondom je een zee van pieken, graten en kaargletsjers

Blik vanaf de top (2 469 m) van de Galdhøpiggen in het centrale deel van Jotunheimen.
Dit landschap is typisch alpien, met kaargletsjers die actief de karen uitdiepen, waarbij ze pieken (spitse bergtoppen) en graten (scherpe bergkammen) maken.

Er zijn in Noorwegen vier grote gebieden met een alpien landschap: twee in het zuiden, Jotunheimen en Møre, en twee in het noorden, West-Lofoten en Lyngen. Zie de onderstaande kaart met landvormen. (Landvormen zijn de vormen die het aardoppervlak heeft, zoals bergen, hoogvlakten, dalen en fjorden. Ze zijn ontstaan door natuurlijke processen, waaronder de werking van gletsjers en rivieren.)

Op de kaart staan in Zuid-Noorwegen ook twee kleinere gebieden aangegeven: Dovrefjell (bekend van de wandeling naar Snøhetta) en Rondane. In beide gebieden is alleen een klein deel van het centrale bergmassief alpien (donkerrood). Er liggen slechts een tiental toppen boven de 2000 m. Dat is een groot verschil met Jotunheimen, waar meer dan 200 toppen boven de 2000 m liggen.

Dovrefjell en Rondane hebben maar weinig donkerrood = alpine fjellformer (alpiene bergvormen – met spitse toppen, steile hellingen en diepe dalen) en ieder slechts een tiental toppen boven de 2000 m.
Jotunheimen heeft wel veel donkerrood (alpine fjellformer) met ook meer dan 200 toppen boven de 2000 m.
(Met glasiale fjellformer bedoelt men glaciale bergvormen – bergvormen die door gletsjers zijn uitgesleten, zoals gletsjerdalen en fjorden).
(Met paleiske fjellformer bedoelt men oude, sterk afgesleten bergvormen met overwegend afgeronde toppen).

2. Glaciaal landschap

In berggebieden waar in de winter meer sneeuw valt dan er in de zomer smelt, kunnen gletsjers ontstaan en groeien. Sneeuwrijke winters en koele zomers zijn daarvoor gunstig.

Noorwegen telt ongeveer 1600 gletsjers. De huidige gletsjers zijn niet eenvoudigweg overblijfselen van de laatste ijstijd. Na het verdwijnen van de grote ijskap smolten veel kleinere gletsjers tijdens een warmere periode in het Holoceen geheel weg. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden werden de omstandigheden weer gunstiger voor de groei van gletsjers. Sindsdien zijn ze herhaaldelijk gegroeid en gekrompen. Hun grootste uitbreiding in recente eeuwen vond plaats tijdens de Kleine IJstijd, die in Noorwegen grofweg van de 15e tot de 19e eeuw duurde.

Drie gletsjertypen in Noorwegen

Gletsjers verschillen in grootte, vorm en ligging. In Noorwegen onderscheiden we drie typen:

1. Kaargletsjers

Een kaargletsjer (botnbre) ligt in een kaar (botn), een komvormige laagte in een bergwand. Kaargletsjers liggen vaak aan de lijzijde van een berg, waar sneeuw zich ophoopt, en aan de schaduwzijde, waar minder sneeuw smelt.

Een voorbeeld zijn de drie kaargletsjers (botnbreer) aan de oostzijde van de Snøhetta. Je ziet ze tijdens mijn wandeling naar de Snøhetta.

De drie kaargletsjers liggen aan de oostzijde van de Snøhetta, beschut tegen de overheersende westenwind.
Het lichte vlak geeft de omvang van de gletsjers in 1880 aan; de gearceerde vlakken tonen de huidige omvang. De twee grootste gletsjers (1 en 2) zijn sinds 1880 ongeveer gehalveerd in oppervlakte.
De rode streepjeslijn geeft de wandelroute aan van Snøheim (toeristenhut) naar de hoofdtop Stortoppen.
Een gedetailleerde kaart van Noorwegen vind je op Norgeskart.

2. Gletsjertongen

Gletsjertongen, ook wel dalgletsjers (dalbreer) genoemd, zijn groter dan kaargletsjers en stromen door een dal. Ze zijn soms uitlopers van kaargletsjers, maar meestal van ijskappen.

De ijskap Jostedalsbreen in Noorwegen heeft tientallen gletsjertongen. Bekende voorbeelden zijn de Briksdalsbreen, Nigardsbreen en Austerdalsbreen. Deze laatste ligt bij mijn wandeling door het Austerdalen.

In mijn teksten gebruik ik alleen de term gletsjertong, niet dalgletsjer.

3. IJskappen

Voorbeelden:

a. Jostedalsbreen (ca. 480 km²) is de grootste ijskap van het Europese vasteland. Hij ligt niet op een plateau, maar bedekt een bergachtig gebied met hoge bergen en diepe dalen. Daarom noemen we hem geen plateaugletsjer (platåbre).

De volgende twee ijskappen liggen wel op een plateau. We kunnen ze daarom zowel ijskap als plateaugletsjer noemen:

b. Folgefonna (ca. 200 km²)

c. Hardangerjøkulen (ca. 80 km²) Zie mijn wandeling naar Blåisen.

Belangrijkste ijskappen

Bij verschillende wandelingen loop je naar een gletsjertong. Onder begeleiding van een gids kun je ook op een gletsjer lopen. Dat heet brevandring (gletsjerwandelen). Daarom volgt hier een korte introductie over de belangrijkste ijskappen en hun gletsjertongen.

Sommige ijskappen zijn plateaugletsjers. Ze liggen op een hooggelegen, betrekkelijk vlak gebied, het firnplateau, het centrale deel, waar sneeuw zich ophoopt en tot firn wordt samengeperst. Vanuit dit gebied stroomt het ijs als gletsjertongen in verschillende richtingen door de dalen naar beneden.

Plateaugletsjers komen onder andere voor in Noorwegen en IJsland. In Zuid-Noorwegen zijn Folgefonna en Hardangerjøkulen bekende voorbeelden.

Van groot naar klein:

  1. Folgefonna (ca. 200 km²)
  2. Hardangerjøkulen (ca. 80 km²)

Let op: Jostedalsbreen (ca. 480 km²) is veel groter, maar geen plateaugletsjer. Deze ijskap bedekt een bergachtig gebied met hoge bergen en diepe dalen.

De namen van Noorse ijskappen en gletsjertongen eindigen vaak op bre, fonn, is of jøkul. Deze woorden verwijzen naar een gletsjer of ijs.

Naast deze drie grote ijskappen zijn er in Zuid-Noorwegen tientallen kleinere gletsjers. Veel daarvan liggen in Breheimen nasjonalpark en Jotunheimen.

Veel Noorse gletsjers bereikten hun grootste omvang tijdens de Kleine IJstijd. Het tijdstip verschilde per gebied, maar voor veel gletsjers lag het maximum rond het midden van de achttiende eeuw. De Nigardsbreen, een gletsjertong van Jostedalsbreen, breidde zich in die periode sterk uit en bedolf rond 1743 de boerderij Nigard.

Sindsdien zijn veel gletsjers kleiner geworden. Sommige groeiden tijdelijk weer aan, maar sinds ongeveer 2000 is het slinken van veel gletsjers versneld door de stijgende zomertemperaturen.

Opwarming van de aarde:
Wil je zelf eens naar een gletsjer wandelen of onder begeleiding van een gids een gletsjer op gaan (brevandring)? Dat kan nog steeds, maar gletsjers veranderen snel. Naar verwachting zullen veel Noorse gletsjers deze eeuw sterk slinken.

Naast de hierboven genoemde drie ijskappen in Zuid-Noorwegen zijn er ook nog twee in Noord-Noorwegen. Ik zal ze hieronder alle vijf kort bespreken.

Hoe ontstaan gletsjers?

Gletsjers ontstaan wanneer er in de loop van jaren meer sneeuw valt dan er smelt. De sneeuw hoopt zich op en wordt door het gewicht van de bovenliggende lagen samengedrukt tot ijs. Het hoge deel van de gletsjer waar sneeuw zich ophoopt en in ijs wordt omgezet, heet de accumulatiezone.

Onder de enorme druk wordt het ijs vervormbaar en kan het onder invloed van de zwaartekracht langzaam naar beneden stromen, vanuit de accumulatiezone richting de afsmeltingszone. Aan het uiteinde van de gletsjer smelt het ijs.

Gletsjers bewegen

Het gewicht van het ijs zet een gletsjer in beweging. Onder hoge druk vervormt het ijs en kan het langzaam stromen. De meeste Noorse gletsjers bewegen zich met een snelheid van enkele centimeters tot 1 à 2 meter per dag.

De snelheid verschilt echter sterk binnen één gletsjer.

– Zowel de dalbodem als de dalwanden remmen de ijsstroom af.

– De snelheid is het grootst bij ijsvallen. Die ontstaan waar de gletsjer over een steiler deel van de ondergrond stroomt. In steile ijsvallen zijn snelheden tot ongeveer 2 meter per dag gemeten.

– Helemaal boven in de gletsjer en bij het gletsjerfront is de beweging doorgaans gering.

Door verschillen in de stroomsnelheid ontstaan strekspanningen in het ijs. Wanneer die te groot worden, scheurt het ijs en ontstaan gletsjerspleten. Deze zijn zelden dieper dan 30 à 40 meter. Op grotere diepte is het ijs door de hoge druk vervormbaar, waardoor de spleten zich sluiten.

Gletsjerspleten komen vaak voor bij een ijsval, langs de gletsjerrand en bij het gletsjerfront. Ze kunnen bedekt zijn door sneeuwbruggen, waardoor ze moeilijk te herkennen en gevaarlijk zijn om over te steken.

Glaciale erosie

Glaciale erosie is de uitschurende werking van gletsjerijs op de ondergrond. Dit gebeurt op twee manieren: door plukken, het loswrikken en meenemen van stukken gesteente, en door het schuren van gesteentepuin over de rotsbodem.

1. Plukken (Plucking)

Smeltwater dringt in spleten en scheuren van de rotsbodem. Wanneer het water bevriest, zet het uit en kunnen scheuren verder open worden gedrukt. Dit proces heet vorstverwering.

Het ijs van de gletsjer kan zich aan het gesteente vasthechten. Wanneer de gletsjer verder stroomt, trekt het stukken gesteente los en voert die mee. Dit proces heet plukken.

2. Schuren (Abrasion)

Het losgewrikte gesteente komt vast te zitten in de onderkant van de gletsjer. Terwijl het ijs over de rotsbodem stroomt, schuren de stenen en het zand over het gesteente. Daardoor wordt het oppervlak afgesleten en gladgeschuurd. Dit proces heet schuren.

Bultrotsen

Glaciale erosie laat verschillende sporen in het landschap achter. Gletsjers kunnen diepe kommen en bekkens uitschuren, maar ook de oorspronkelijke verhevenheden in het terrein stroomlijnen. Zo ontstaan bultrotsen: gladgeschuurde rotsbulten met een duidelijke voor- en achterzijde.

De vorm van een bultrots geeft aanwijzingen over de stroomrichting van de gletsjer. Bultrotsen variëren in grootte van ongeveer één meter tot meer dan honderd meter.

Aan de stootzijde is de bultrots meestal glad en loopt het oppervlak geleidelijk omhoog. Vaak zijn er gletsjerkrassen zichtbaar. Deze ontstonden doordat stenen en zand die in het ijs vastzaten over het gesteente schuurden.

Aan de lijzijde is de rots vaak steil en hoekig, met ruwe breukvlakken. Hier kan de druk op het ijs afnemen, waardoor smeltwater bevriest en het ijs stukken gesteente loswrikt. Dit is het proces van plucking.

Bultrots met gletsjerkrassen

Erosie en afzetting van gesteentepuin

Een gletsjer schuurt het onderliggende gesteente af en neemt het losgemaakte materiaal mee. Onder sommige Noorse gletsjertongen slijt het vaste gesteente met meer dan 1 mm per jaar af. Dat is meer dan 1 meter in duizend jaar.

Het meegevoerde gesteentepuin bestaat uit grote stenen, gruis, zand en fijn materiaal. Wanneer het ijs smelt, blijft een deel hiervan achter als grondmorene (till).

Dit materiaal is ongesorteerd: grote stenen liggen door elkaar met zand, klei en fijn materiaal. De stenen zijn vaak hoekig of weinig afgerond. De afzetting is niet gelaagd en kan slecht waterdoorlatend zijn.

De dikte van de grondmorene verschilt sterk. Plaatselijk is de laag meerdere meters dik, maar elders is deze veel dunner of vrijwel afwezig.

Een dikke laag grondmorene (till).

Morenen

Wanneer een gletsjer oprukt, duwt hij soms gesteentepuin voor zich uit. Aan het uiteinde kan daardoor een eindmorene ontstaan: een ophoping van puin die door het ijs wordt opgestuwd of afgezet.

Langs de zijkanten van een gletsjer hopen stenen en ander puin zich op tot zijmorenen. Waar twee gletsjerarmen samenkomen, kunnen hun zijmorenen samensmelten tot een middenmorene. Deze vormt een strook gesteentepuin op het ijsoppervlak.

Glaciale landvormen

De ijstijden hebben het landschap van Noorwegen sterk gevormd. Gletsjers sleten dalen en rotsen uit en lieten grote hoeveelheden gesteentepuin achter. Zo ontstonden allerlei glaciale landvormen.

Een overzicht van belangrijke glaciale landvormen vind je op de Engelstalige pagina Glaciated upland landscapes. Bij verschillende landvormen staan ook de Noorse namen.

3. Gletsjerdalen en fjorden