Gedegen informatie over mooie langeafstandspaden en dagwandelingen!

Vegetatiezones in de fjell

Vegetatiezones in de fjell

De fjell kunnen we op grond van de vegetatie verdelen in vier vegetatiezones (zie tekening). Als je vanuit een dal steeds hoger komt, verandert de begroeiing geleidelijk. Bomen worden lager en verdwijnen uiteindelijk helemaal. Daarboven groeien vooral lage struiken en kruiden. Op de hoogste delen is de begroeiing schaars en bestaat ze voornamelijk uit kleine, winterharde planten.

De belangrijkste oorzaak is de dalende temperatuur met de hoogte. Ook wind, de hoeveelheid sneeuw en de duur van de sneeuwbedekking spelen een belangrijke rol. De overgang tussen de vier zones verloopt geleidelijk en de grenzen liggen niet overal op dezelfde hoogte.

Met het Noorse woord fjellet (de fjell, de bergen of het gebergte) bedoelen we het land boven de grens van het productieve bos, dat in Noorwegen vooral uit naaldbos bestaat.

Het Fjellbos (fjellskogen). Dit bestaat meestal uit:
1. Fjellberkenbos

Daarboven komt de Kaalfjell (snaufjellet). Deze bestaat uit drie zones:

2. Onderste alpiene zone (lavalpin sone)
3. Middelste alpiene zone (mellomalpin sone)
4. Bovenste alpiene zone (høyalpin sone)

De hoogte van de bosgrens varieert sterk, afhankelijk van de breedtegraad en de afstand tot de kust:

  • in het midden van Zuid-Noorwegen ligt ze op ongeveer 1000 m;
  • aan de kust van Vestlandet op ongeveer 400 m;
  • in grote delen van Noord-Noorwegen onder de 150 m.

De bosgrens ligt dus niet overal op dezelfde hoogte. Vooral de noord-zuidligging en de invloed van de zee spelen daarbij een belangrijke rol.

Het Fjellbos (fjellskogen)

In Noorwegen bestaat het Fjellbos meestal uit Fjellberkenbos (zie bijvoorbeeld de Muskusossafari-wandeling).
In het droge deel van Zuid-Noorwegen komt plaatselijk ook Fjelldennenbos voor, bijvoorbeeld in Vettismorki (zie de Utladalen-wandeling).

1. Fjellberkenbos

  • Het Fjellberkenbos ligt als een gordel boven het productieve naaldbos.
  • De dominerende boomsoort is de Fjellberk (Betula pubescens subsp. czerepanovii), een ondersoort van de Zachte berk.
  • De Fjellberk kan sterk verschillen in vorm. Op onbeschutte plaatsen blijft ze vaak laag en krom door sneeuwdruk en wind. Op meer beschutte plaatsen kan ze ongeveer 5 m hoog worden en een rechte stam hebben.
  • Naast de Fjellberk kunnen enkele andere winterharde loofbomen voorkomen, zoals Wilde lijsterbes, Boswilg, Vogelkers en Ratelpopulier. Plaatselijk groeien ook Grove den en Fijnspar.

Welke planten op de bosbodem groeien, hangt vooral af van de voedselrijkdom en de vochtigheid van de bodem.

  • Op zeer voedselarme en droge bodems groeien vooral lichenen en heideplanten.
  • Op iets voedselrijkere en vochtigere bodems kunnen ook meer eisende planten groeien, zoals Blauwe bosbes, Rode bosbes en Kraaihei.

Het fjellberkenbos is kenmerkend voor het Scandinavisch schiereiland. In de Alpen komt dit type bos niet voor. Daar wordt de bosgrens gevormd door naaldbomen, vooral Lariks en Den.

Fjellberkenbos met kromme, meerstammige bomen van slechts 5 m hoog en een onderbegroeiing van Blauwe bosbes en enkele Jeneverbessen

De bosgrens

In de fjell wordt het bos met toenemende hoogte steeds dunner en worden de bomen steeds lager. Waar ligt dan de bosgrens? Een veel gebruikte definitie is dat de bomen ten minste 3 m hoog moeten zijn en dat de gemiddelde afstand tussen de bomen niet meer dan 30 m mag bedragen.

Afzonderlijke bomen kunnen dus aanzienlijk boven de bosgrens voorkomen. Ze staan dan in de kaalfjell.

De Kaalfjell (snaufjellet)

Het deel van de fjell boven de bosgrens wordt de kaalfjell (snaufjellet) genoemd. Het betreft de onderstaande vegetatiezones 2, 3 en 4. Er groeien geen aaneengesloten bossen meer, maar wel struiken, kruiden, grassen, mossen en lichenen.

Met toenemende hoogte worden de omstandigheden voor planten steeds moeilijker. De temperatuur daalt, de groeiperiode wordt korter en wind, sneeuw en vorst krijgen meer invloed. De begroeiing wordt daardoor steeds lager en opener.

2. Onderste alpiene zone

Hier groeien lage struiken en heidevegetatie.
In natte laagtes komen verschillende wilgensoorten voor.
Op droge ruggen groeien onder andere Dwergberk, Jeneverbes en verschillende heideplanten

3. Middelste alpiene zone

Hier domineren grassen en schijngrassen, zoals Zeggen en Driebladige rus.
De struikvegetatie wordt steeds lager en minder algemeen.

4. Bovenste alpiene zone

Vooral mossen en lichenen kunnen hier nog groeien.
In deze zone is de begroeiing zeer schaars. Er is geen gesloten plantendek meer.