Wordt komende tijd aan gewerkt
Dagwandelingen Fryslân
Deze pagina helpt je de mooiste wandelingen in Fryslân te ontdekken, met afstanden van 5 tot 15 km, door het Friese buitengebied.
Voor de indeling van de wandelingen op het Friese vasteland maak ik gebruik van zeven landschappelijke regio’s (deelgebieden) (zie het groene kader boven). Deze indeling is afkomstig uit de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.
De basis hiervan is een hoofdindeling naar landschapstype:
- zeeklei in het noorden en westen = 1. Westergo, 2. Middelsee- en Marnegebied, 3. Oostergo
- veen (en meren) = 6. Het Lage Midden
- zand (met keileem) in het oosten en Gaasterland = 4. Noordelijke Wouden, 5. Zuidelijke wouden, 7. Gaasterlân
Deze zeven regio’s geven samen een goed beeld van de grote variatie in het Friese landschap – van de open kustvlakten in het noorden tot de bosrijke Zuidelijke Wouden.
Ook voor de korte inleidingen bij de afzonderlijke deelgebieden heb ik gebruik gemaakt van het hierboven genoemde document Grutsk op ’e Romte. Laat je niet afschrikken door de Friese titel – hun tekst is ook in het Nederlands beschikbaar. Blader er gerust eens door en bekijk de verhelderende foto’s en kaartjes. Warm aanbevolen.
Eén van de acht deelgebieden heb ik hierboven buiten beschouwing gelaten: het Waddengebied. Want alle bewoonde waddeneilanden worden samen behandeld op de pagina Waddeneilanden.
De wadden zelf lenen zich uitsluitend voor een wadlooptocht. Hier heb ik gekozen voor de Wadlooptocht over Rif en Engelsmanplaat. Daarbij ga je vanuit Lauwersoog per boot naar Rif en Engelsmanplaat, waar je een wandeling maakt over de platen. Zie hiervoor Groningen.
Met de wandelingen beperk ik me tot het buitengebied. Op deze pagina vind je dus geen stadswandelingen.
Met dagwandelingen bedoel ik hier tochten van ongeveer 5 tot 15 km. Meestal zijn dat halve dagtochten van circa 2 à 3 uur zuivere looptijd, die zich goed laten combineren met een bezoek aan een dorp, museum of horecagelegenheid onderweg.
Op de onderstaande kaart staan de Natura 2000-gebieden in de drie noordelijke provincies. Deze gebieden vormen vaak de kern van de aantrekkelijkste wandelmogelijkheden. Je ziet daarop dat Fryslân op het vasteland duidelijk meer te bieden heeft dan Groningen, maar minder dan Drenthe.
Deze lijst is nog niet volledig. Ken jij in Fryslân een wandeling die past bij de criteria op deze pagina (mooie natuur, buitengebied, duidelijke route)? Laat het me weten – ik breid de lijst graag verder uit.

1. Westergo (oude land) (1 route)
Snel naar:
- Easterein – 11 km
- …


Gebiedsbeschrijving
Westergo vormt samen met Oostergo een van de twee Friese terpengebieden. In het gebied liggen meer dan zevenhonderd terpen (door mensen opgeworpen woonheuvels), waarvan enkele uitgroeiden tot stad: Franeker, Bolsward en Harlingen. Het landschap kent geconcentreerde bewoning in terpdorpen, maar daarnaast ook verspreid liggende boerderijen op het vlakke land en op huisterpen.
De landschappelijke structuur wordt bepaald door kwelderwallen langs voormalige zeeboezems, geulen en slenken.
Twee grote zeeboezems – de Middelzee en de Marne – scheidden vroeger het noorden en het zuiden. Ten noorden daarvan ligt het kerngebied van Westergo, met de oudste terpen. Het zuidelijke deel kent een meer verspreide en minder regelmatige ligging van terpen. In het noorden liggen ze vaak in reeksen of snoeren, zoals bij Achlum–Tritzum. Deze structuur hangt samen met de kwelderwallen die in verschillende fasen van kustuitbreiding zijn ontstaan.
Na 1500 veranderde het landschap niet wezenlijk van karakter, toen de Middelzee en de Marne waren ingepolderd. De kustzone kent sindsdien een vrij dichte bewoning met enkele stadjes die ooit gunstig aan zee lagen. Het huidige landschap wordt gekenmerkt door grote open ruimten, slechts onderbroken door een dorp of een solitaire boerderij. De hogere kwelderwallen zijn veelal in gebruik voor akkerbouw en (glas)tuinbouw, terwijl de lagere kweldervlaktes vooral uit grasland bestaan. Ruilverkavelingen hebben het historische patroon grotendeels intact gelaten.
Een belangrijke karakteristiek van Westergo is het dijkenstelsel, met een grote verscheidenheid in ouderdom en functie. Bekende voorbeelden zijn de oude ringdijken rond de moederpolders, de dijken langs de Marne, de Pingjumer Gulden Halsband en de Slagtedijk.
In fysisch-geografisch en cultuurhistorisch opzicht is Westergo grofweg op te delen in drie deelgebieden:
- Noordelijk Westergo (of de Westelijke Bouhoeke) is een regio met afwisselend parallel lopende kwelderwallen en kweldervlakten.
De lichte kleigronden op de kwelderwallen – de hogere delen van het voormalige kweldergebied vóór de aanleg van de dijken – waren bij uitstek geschikt voor akkerbouw.
Achter de kwelderwallen liggen de lager gelegen kweldervlakten. De ontginning hiervan werd, vanwege de zware kleibodems en de lagere ligging, anders aangepakt. Na de bedijkingen in de volle middeleeuwen (11e en 12e eeuw) werden deze gebieden vooral gebruikt als hooi- en extensief weiland (mieden). Door een steeds betere ontwatering zijn veel van deze kweldervlakten later alsnog in bouwland omgezet. - Kleiterpengebied (of de Greidhoeke) is een regio met bochtige slenken, prielen en oeverwallen. Het open landschap wordt gekenmerkt door uitgestrekte graslanden, waar vrijwel uitsluitend veeteelt plaatsvindt.
- Zuidelijk Westergo bestaat uit klei-op-veengebieden, hempolders en latere droogmakerijen.
Voor meer informatie zie de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.)
Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van noord naar zuid:
Easterein – 10,7 km
Rondwandeling vanuit terpdorp Easterein langs terpdorp Lytsewierrum en dijkdorp Reahûs


Start- en eindpunt:
Restaurant Bergsma Easterein
Sibadawei 2
8734 HE Easterein
Routemarkering:
Volg grotendeels de wandelknooppunten
Hond mee:
Niet toegestaan.
Horeca:
Restaurant Bergsma Easterein
Beste websites:

Gebiedsbeschrijving
De wandeling gaat door een landschap van graslanden, boerderijen en kleine terpdorpjes. Hier in het hartje Friesland, ten noorden van Sneek, ligt de Greidhoeke. Dit eeuwenoude kleiweidegebied bestaat uit uitgestrekte groene weilanden (griene greiden) met verspreid liggende boerderijen.
In bomen gehulde terpdorpjes zorgen voor de accenten in een weids gebied van gras en kronkelige sloten. Je komt door de beschermde dorpsgezichten van terpdorp Easterein, zijldorp Rien en terpdorp Lytsewierrum. Je volgt paden door boerenland met veeroosters en smalle bruggetjes, daarnaast rustige asfaltweggetjes. Geniet volop van rust en ruimte, natuur en cultuur.
Friese terpen spelen hier de hoofdrol. Wist je dat het woord terp een Friese variant is van het woord “thorp” (dorp)? De dorpskernen zijn op een verhoging aangebracht om bescherming te bieden bij hoog water toen het hier nog een kwelder was en er dus geen dijken waren om het water tegen te houden.
Onderweg twee terpdorpen en het zijldorp Rien:
Het eerste terpdorp op je route is Easterein (Oosterend)). Het lag vroeger op het eiland Westergo en werd in de 10e eeuw één van de vroegst omdijkte gebieden in Friesland. De prachtige Martinikerk, “de kathedraal onder de Friese dorpskerken”, vormt het middelpunt van het beschermde dorpsgezicht. Het tweede buitengewoon fraaie terpdorp is Lytsewierrum.
Bijzonder zijn ook de twee historische boerderij-typen die je op de route vindt: de kop-hals-romp en de stelpboerderij.
Greidhoeke
De Greidhoeke is het kleiweidegebied tussen de steden Leeuwarden, Franeker, Bolsward en Sneek. Het staat bekend om haar uitgestrekte weidelandschap met rijke terpdorpen. Het valt grotendeels samen met het zuidelijke deel van het oude landschap Westergo. Bij dit eeuwenoude landschap dateert de verkaveling nog uit de middeleeuwen. Het is land dat meer dan 1000 jaar geleden op de zee werd veroverd en in cultuur gebracht.
Het is nog steeds een mooi landschap, maar “De bonte wei” van Jac.P.Thysse bestaat hier niet meer. Onder je voeten overal raaigras en mest. Ook verscheen er al een perceel met mais tegen het einde van de wandeling.
Easterein
Een korte rondgang door Easterein is zeer de moeite waard. Dit schilderachtige dorp met afwisselende bebouwing heeft een beschermd dorpsgezicht. Er staat een monumentale kerk centraal op een gedeeltelijk omgracht kerkerf. Ook zijn er wat panden die herkenbaar zijn aan de halfronde ramen op de eerste verdieping, de kaaszolder. Deze panden waren van kooplieden die kaas van zelfkazende boeren verhandelden.
Rien
Rien ligt aan de kruising van een doorgaande vaar- met een landweg. Het centrum van dit historische dorpje met nog geen honderd inwoners wordt dan ook gevormd door de imposante ijzeren klapbrug over de Franekervaart. Rien ontwikkelde zich als verkeersdorp met op de hoek van deze kruising een waterherberg (Molmaweg 1) uit 1761, en in de tegenoverliggende hoek van de kruissing de historische dorpskern met diverse kleine woningen. Op de noordoostelijke oever langs de Franekervaart werd een loskade aangelegd met daarnaast enkele pakhuizen.
Door de stagnatie van de ontwikkeling van de scheepvaart in de negentiende eeuw, stagneerde ook de groei van dit kruisdorp.

… – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…

2. Middelzee- en Marnegebied (0 route)
Snel naar:
- … – … km
- … – … km


Gebiedsbeschrijving
De Middelzee was een zeearm die waarschijnlijk al omstreeks 500 v.Chr. bestond. Ze vormde de scheiding tussen Westergo en Oostergo. De zeearm breidde zich gaandeweg steeds verder in het binnenland uit. Aan de oostoever ontstond Leeuwarden op een paar terpen en verder zuidwestwaarts bij Bolsward kwam er rond het jaar 1000 een verbinding met een andere zeearm, de Marne. Het noordelijke deel van Westergo was in die tijd geheel door water omsloten. In de 11de eeuw kwamen de dijkringen van Oostergo en Westergo tot stand en begonnen de Middelzee en de Marneboezem dicht te slibben. Stukje bij beetje werd vanaf de 13de eeuw de oude zeearmen ingedijkt en omgevormd tot cultuurland. Dit bedijkingenlandschap is, na het Waddengebied, het jongste landschap van Friesland. Het is een gebied waarin veel polders zijn ingericht volgens het principe van de Italiaanse Renaissance: strak, evenwichtig en vooral rechttoe-rechtaan.
Door cultuurhistorische ontwikkelingen en bodemkundige verschillen ontstonden er in de loop der eeuwen grofweg drie deelgebieden binnen de bedijkingen van de Marneslenk en de Middelsee:
- Marneslenk (Lytse Bouhoeke): het gebied dat samen met de naastgelegen oeverwallen als een kronkelende sliert met akkerland door het kleiweidegebied van Westergo loopt.
- Zuidelijke Middelzee (De Nieuwlanden), waar de grenssloot Swette doorheen stroomt en waar vele nieuwlandpolders liggen.
- Noordelijke Middelzee (Het Bildt), waar kort na de middeleeuwen een weids akkerbouwgebied ontstond.
De deelgebieden zijn stuk voor stuk bedijkte cultuurlandschappen, waarin de weidsheid domineert.
Voor meer informatie zie de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân. Warm aanbevolen.

Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van noord naar zuid:
… – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…

3. Oostergo (0 route)
Snel naar:
- … – … km
- … – … km


Gebiedsbeschrijving
Deelgebied Oostergo is een dunbevolkt landschap met oeroude terpen. Het betreft een kleistrook van negen tot maximaal vijftien kilometer breed, gelegen ten oosten van de voormalige Middelsee – vandaar de naam Oostergo.
Op de kwelderwallen langs de oude kustlijn van de Middelsee en de Waddenzee wordt op de lichte zavelklei vooral akkerbouw bedreven. Ten zuiden daarvan ligt een gordel van zware knipklei, waar de veeteelt domineert.
De steden Leeuwarden en Dokkum zijn veruit de grootste nederzettingen in het deelgebied, dat verder veel kleine dorpen telt.
Buiten de Waddenzeedijk liggen in het noordwesten de hoog opgeslibde kwelders, soms tot een kilometer breed.
Op basis van fysisch-geografische kenmerken en cultuurhistorische ontwikkelingen kan Oostergo grofweg in drie deelgebieden worden onderverdeeld:
- Noordwestelijk Oostergo: de kwelderwal die ten noorden van Leeuwarden in een boog doorloopt tot iets voorbij Ternaard, inclusief de ten zuiden daarvan gelegen voormalige kweldervlakte en de daarachter gelegen klei-op-veengronden.
- Noordoostelijk Oostergo: de grillige kwelderwallen, inversieruggen en laagten ten noordoosten van Dokkum, inclusief het voormalige Lauwerszee-systeem met de relicten van dit getijdensysteem (Lauwersmeer) en de ingedijkte polders aan de randen daarvan.
(Het Lauwersmeergebied behoort gedeeltelijk tot Groningen en gedeeltelijk tot Friesland.) - Zuidelijk Oostergo: de relatief smalle kwelderwal/oeverwal en de knipkleigronden ten zuiden van Leeuwarden.
Aan de noordzijde van het gebied zijn in de loop der eeuwen stap voor stap stukken kwelder ingedijkt of omgevormd tot zomerpolders. Rond de voormalige Lauwerszee gebeurde hetzelfde. Enkele slaperdijken herinneren nog aan deze gefaseerde verlegging van de kustlijn.
Voor meer informatie zie de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.
Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van west naar oost.
… – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…

4. Noordelijke Wouden (2 routes)


De vele lijntjes, bijv. bij Eastermar, markeren hier de hoger gelegen gebieden waar houtwallen de boventoon voeren.
Gebiedsbeschrijving
De Noordelijke Wouden liggen ruwweg tussen Dokkum en Drachten, op een uitloper van het Drents Plateau. Het is een zand en veengebied met een fraai coulisselandschap. Hier zijn de percelen van elkaar gescheiden door houtwallen en elzensingels. De Noordelijke Wouden vormen landschappelijk een eenheid met het Zuidelijk Westerkwartier in de provincie Groningen.
Het gebied heeft een zwak golvend landschap van dekzandruggen en tussenliggende laagten. In de voorlaatste ijstijd werd hier net als in Drenthe keileem afgezet en later dekzand. Hierdoor werd plaatselijk de afvoer van regenwater belemmerd, waardoor moerassen ontstonden. Deze ontwikkelden zich tot hoogvenen, die pas na de middeleeuwen verdwenen door ontwatering en afgraving.
De ontginning van het gebied en de veenwinning hebben geleid tot langgerekte lintvormige dorpen langs wegen en waterlopen. Loodrecht op deze ontginningsassen is het land verdeeld in lange strookvormige percelen, die van elkaar gescheiden zijn door elzensingels of houtwallen. De regio is bekend om dit elzensingel- en houtwallenlandschap met lange, smalle kavels.
Het landschap is kleinschalig en besloten. Men spreekt ook wel van een coulisselandschap. Bodem en water waren hierbij sturend. Op de lagere, venige gronden ontstonden langs sloten elzensingels, terwijl op de hogere, drogere zandgronden houtwallen werden aangelegd. Daar waren namelijk sloten als veekering ongeschikt, omdat ze in droge perioden vaak leegstonden.
Belangrijkste landschapselementen
1. Elzen- en houtsingels (ca. 3.000 km)
Singels zijn veelal eenrijige beplantingen, meestal groeiend op de taluds van sloten en wijken (zijkanalen). Het onderscheid tussen elzensingels en houtsingels zit in de dominante boomsoort: bij elzensingels is dat de Zwarte els, bij houtsingels een andere soort, zoals Zomereik of Gewone es.
Veel elzensingels zijn ontstaan tijdens de ontginning van het veen, toen sloten werden gegraven voor de ontwatering. Juist op de sloottaluds waren de groeiomstandigheden voor bomen en struiken gunstig. In veel (elzen)singels groeien naast de dominante boomsoort diverse andere soorten.
Van oudsher kwamen in de Noordelijke Wouden ook veel dubbelzijdige elzensingels voor, met beplanting aan beide zijden van de sloot. Tegenwoordig is ongeveer een derde daarvan nog dubbelzijdig; de rest is enkelzijdig. Vaak is de beplanting aan één zijde verwijderd om het onderhoud en het schonen van de sloot te vergemakkelijken.
2. Houtwallen (ca. 300 km)
Houtwallen liggen op de wat hogere en drogere gronden. Ze zijn ontstaan bij het in cultuur brengen van de heide, waarbij vrijkomend materiaal zoals stobben en keien naar de perceelsranden werd verplaatst en daar in langgerekte wallen werd verwerkt. Vervolgens werd de wal met aarde afgedekt.
De houtwallen werden beplant of raakten spontaan begroeid met bomen en struiken. In de meeste houtwallen is Zomereik de dominante boomsoort; plaatselijk komt ook veel Ruwe berk voor. Net als bij de singels groeien naast de dominante boomsoort tal van andere soorten.
3. Heggen en hagen (ca. 50 km)
Heggen en hagen zijn aangelegd als veekering. Daarom werden vooral soorten met stekels of doorns aangeplant, zoals Meidoorn, Sleedoorn en Hondsroos.
Het verschil tussen een heg en een haag zit in het beheer: een heg wordt jaarlijks gesnoeid of geknipt, terwijl een haag extensiever wordt beheerd en vrij kan uitgroeien.
4. (Hakhout)bosjes
In tegenstelling tot de voorgaande lijnvormige elementen zijn (hakhout)bosjes vlakvormige landschapselementen. Ook bosstroken worden hiertoe gerekend, hoewel ze van een afstand vaak als lijn worden waargenomen.
In hakhoutbosjes werd van oudsher een hakhoutbeheer gevoerd. Net als bij elzensingels en houtwallen wordt de beplanting hierbij in een cyclus van circa 20 tot 25 jaar afgezet. De achterblijvende stobben lopen daarna opnieuw uit.
5. Drinkpoelen en dobben
In het gebied liggen veel kleine wateren.
Drinkpoelen zijn door de mens gegraven, hebben een beperkte oppervlakte en zijn niet diep. Ze liggen vaak op perceelsgrenzen, zodat vee dat op verschillende percelen graasde uit dezelfde drinkpoel kon drinken.
Dobben zijn kleine wateren met een natuurlijke ontstaanswijze. Het kan daarbij gaan om pingoruïnes en vennen.
Pingoruïnes zijn ronde laagten in het zandlandschap die een diepte kunnen bereiken van meer dan 10 m. Ze zijn ontstaan door het afsmelten van pingo’s (heuveltjes met een ijskern). Deze pingo’s vormden zich onder permafrostcondities, waarbij water vanuit scheuren in de ondergrond naar boven werd geperst. Het ijs duwde bodemmateriaal omhoog, dat na het ontdooien naar de randen wegzakte en daar een ringwal vormde.
Vennen zijn door de wind in vroeger tijden uitgeblazen laagten die zich met water hebben gevuld. Deze laagten zijn echter ondiep (minder dan 2 m) en zijn vrijwel steeds geheel opgevuld met veen (en worden dan veentjes genoemd).
Bovenstaande landschapselementen zijn van groot belang als leefgebied voor een grote variatie aan flora en fauna.
Voor meer informatie:
- Icoonlandschappen: de Friese Wouden (hier in de betekenis van Noordelijke Wouden)
- de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.


Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van noord naar zuid.
Bûtefjild – 16 km
Groot laagveenmoeras met open water, rietland, grasland en moerasbos.


Start- en eindpunt:
Parkeerplaats Station Feanwâlden
Horeca:
Onderweg geen, wel in Feanwâlden.
Verrekijker:
Belangrijk. Niet vergeten.
Routebepaling:
Gebruik bovenstaande kaartfragmenten.
Honden:
Toegestaan mits aangelijnd
Beste websites:

Gebiedsbeschrijving
Het Bûtefjild (Buitenveld) is een groot laagveengebied ten noordoosten van Leeuwarden. Het ligt ingesloten tussen zandruggen. In de loop van de vorige eeuw is het gebied in cultuur gebracht. Er bleven daarbij een aantal moerasrestanten over die in de jaren ’90 van de vorige eeuw opnieuw met elkaar verbonden zijn door de aanleg van ecologische verbindingszones.
We zien daar nu de gebruikelijke ingrediënten van een laagveenmoeras: open water, rietland, grasland en moerasbos. Al deze verschillende landschapstypen zorgen ervoor dat het een uniek leefgebied is voor planten en dieren. Kortom een ‘fûgel- en planteparadys’.
Ynfjild en bûtefjild
Bij Feanwâlden hadden de boeren vroeger een ynfjild (binnenveld) en een bûtefjild (buitenveld).
Het ynfjild bestond uit de gecultiveerde gronden dicht bij de boerderij of het dorp. Het werd intensief gebruikt zoals voor de dagelijkse melkkoeien.
Het bûtefjild bestond uit de verder weg gelegen, vaak nattere of minder gecultiveerde gronden. Ze werden extensief gebruikt bijv. om jongvee te weiden of om hooi te winnen. Vanwege de schrale bodem is het nu een waardevol natuurgebied geworden.
Feanwâlden (Veenwouden)
Dit veenontginningsdorp is ontstaan op een keileemrug aan de rand van de hoger gelegen gronden. In de 14de eeuw lagen hier de nederzettingen St.-Johanneswâld en Eslawâld, die rond 1500 werden samengevoegd tot Feanwâlden (Veenwouden). Ten behoeve van de turfwinning in dit gebied verwierf het klooster Klaarkamp in 1436 een 13de-eeuwse steenhuis (Schierstins).

De Schierstins – Een middeleeuwse woontoren
Nederland telt nog een aantal burchten, kastelen en landgoederen. Maar hun voorlopers – in Friesland de stinsen – zijn bijna allemaal verdwenen of ingekapseld door andere bouwwerken. Op enkele na dan, zoals de rond 1300 gebouwde Schierstins in Feanwâlden.
Een stins is een woontoren van dikke bakstenen, waar voorname families een toevlucht zochten in tijden van gevaar. De stenen toren viel duidelijk op tussen de eenvoudige huizen van hout, leem, riet en plaggen. Het woord stins is dan ook een samentrekking van ‘steenhuis’.
De Schierstins is één van de weinige steenhuizen die bewaard is gebleven, terwijl er in Fryslân en Groningen honderden hebben gestaan. In Groningen wandelden we ook langs zo’n steenhuis, het Iwema Steenhuis in het Zuidelijk Westerkwartier.
Stinzen ontstonden in de 13e en 14e eeuw. Het zijn de voorlopers van de staten (Fr) en borgen (Gr). In die tijd waren stenen erg duur bouwmateriaal. Daarom spreken we van niet zomaar een huis, maar van een stins(Fr) of steenhuis(Gr).
In Groningen en Friesland kwamen door het zwakke centrale gezag relatief veel van dergelijke woontorens voor.
De meeste woontorens hebben een afmeting van 8,5 m tot 14m. Er zijn 3 verdiepingen (13 tot 16m hoog) en op elke verdieping bevind zich één ruimte.
Na 1400 verloren ze met de opkomst van het buskruit hun militaire betekenis, en werden er geen steenhuizen meer gebouwd. De meeste werden afgebroken, de stenen werden hergebruikt en een enkele werd deel van een state of borg. Het bijzonder gave voorbeeld van de Schierstins in Feanwâlden is te bezichtigen. Een aanrader! Verdere info op schierstins.nl/historie/

Eastermar – 14,5 km
Mooi coulisselandschap met zandwegen en houtwallen.


Start- en eindpunt:
Parkeerplaats aan de E.M. Beimastrjitte in Eastermar.
Horeca:
Onderweg geen, wel in Eastermar.
Routebepaling:
Gebruik bovenstaande kaartfragmenten.
Honden:
Toegestaan mits aangelijnd
Vooraf:
Maak op je gemak een rondwandelingetje door het fraaie Eastermar.
Beste websites:
Neem niet het ‘Rondje Eastermar’ bij Komoot, AllTrails en ANWB/VNC?
Bij hen heeft het enkele tekortkomingen, namelijk:
- De route wordt kloksgewijs gelopen. Daardoor ligt het mooiste deel aan het begin. Loop liever andersom.
- Zij maken geen uitstapjes naar het fraaie strandje aan het Burgumer Mar en het prachtige buurtschap It Heechsân (Hoogzand), met onder andere haar bijzondere 13de-eeuwse kerktoren. Ik maak wel even die twee korte uitstapjes.

Gebiedsbeschrijving
Is Friesland boomloos? Niet rondom Eastermar. Lopend over de oude zandwegen zie je een kleinschalig, besloten landschap met veel houtwallen. In dit gebied worden die houtwallen ook wel dykswâlen genoemd. Voor een goede introductie zie Icoonlandschappen: de Friese Wouden
Eastermar
Dit dorp is in de middeleeuwen op een zandrug ontstaan als een esdorp-achtige verzameling boerderijen met kerk op de plaats waar nu It Heechsân (Hoogzand) ligt. In de 17de en 18de eeuw verschoof het zwaartepunt van het dorp naar het zuidwesten, waar de veennederzetting It Waltsje tot ontwikkeling kwam aan de Lits, de vaarverbinding tussen het Burgumer Mar en De Leijen. Aan het eind van de haven aan de Lits ontstond een dorpsplein, de zuidelijke bebouwingskern, het huidige Eastermar.
De toren van de gesloopte middeleeuwse kerk (Torenlaan 11, It Heechsân) is een forse ongelede bakstenen zadeldaktoren uit de 13de eeuw. Na de sloop van de kerk ging de terp dienst doen als begraafplaats. Het baarhuisje is vermoedelijk in 1873 gebouwd.
Buiten de bebouwde kom domineren de zandwegen en houtwallen het landschap. Deze houtwallen vormen een dicht netwerk van aarden wallen, die al vanaf de 17de eeuw werden aangelegd.
Eastermar en het buurtschap It Heechsân liggen op een relatief hoge zandige ondergrond, waarvan een deel ooit bedekt was met veen. Het hoogste punt, drie meter boven NAP, ligt iets ten zuiden van It Heechsân.
Oorspronkelijk verwees de naam Eastermar (Oostermeer) naar een dorpje op de plek van It Heechsân, letterlijk ten oosten van het Burgumer Mar. Tegenwoordig ligt Eastermar tussen het Burgumer Mar en De Leien, waar de turfschippers hun afvoerhaven voor hun handel hadden. Het dorpje verplaatste zich dus wat zuidwestwaarts. Het is dus een waterdorp.
Drinkpoelen en pingoruïnes
Drinkpoelen zijn door mensen gegraven, vaak op de perceelsgrenzen, zodat vee van meerdere percelen ervan kan drinken. Pingoruïnes zijn ronde meertjes, restanten van pingo’s (ijsheuvels) uit de voorlaatste ijstijd. Samen vormen ze karakteristieke kleine landschapselementen in dit oude cultuurlandschap.
Verhouding elzensingels en houtwallen
In de Noordelijke Wouden komen elzensingels veel vaker voor dan houtwallen. Volgens Natuurwandelen in Nederland (2007) vormen houtwallen minder dan 10% van de totale singellengte. Er zijn echter enkele hooggelegen gebieden waar de houtwallen wel domineren.
Eastermar en omgeving is zo’n gebied.


5. Zuidelijke Wouden (6 routes)
Snel naar:
- Aekingerzand – 10,5 km
- Beetsterzwaag – 9,5 km
- Fochteloërveen – 12 km
- Ketliker Skar – 6,9 km
- Mandefjild – 8,5 km
- Oranjewoud – 9,5 km

Gebiedsbeschrijving
Het relatief hooggelegen oude cultuurlandschap van de Zuidelijke Wouden ligt ten oosten van de lijn Drachten – Heerenveen. Het NAP-nulpunt markeert grofweg de scheiding met het Lage Midden.
Anders dan in de Noordelijke Wouden is het patroon van elzensingels en houtwallen minder strak. Het landschap wordt hier bovendien verlevendigd door resten hei, hakhoutbosjes, boscomplexen en open beekdalen.
De Zuidelijke Wouden maken deel uit van de westelijke helling van het Drents Plateau. Ook hier werd in de voorlaatste ijstijd net als in Drenthe keileem afgezet en later dekzand. Dit belemmerde plaatselijk de afvoer van regenwater, waardoor moerassen ontstonden. Deze ontwikkelden zich tot hoogvenen, die pas na de middeleeuwen verdwenen door ontwatering en afgraving.
Het landschap wordt gekenmerkt door een aantal langgerekte zandruggen die van elkaar worden gescheiden door de beekdalen van het Koningsdiep, de Tjonger en de Lende.
De middeleeuwse ontginning startte vanaf de oevers van de beken en verliep min of meer loodrecht naar achteren. Vanwege de bodemdaling werden dorpen later verplaatst naar hogere delen van de dekzandruggen.
Er liggen grote natuurgebieden, zoals het Mandefjild, het Fochteloërveen en het Drents-Friese Wold, met stuifzandheiden, resten van hoogvenen en uitgestrekte bossen.
De beken die hier ontspringen stromen af naar het Lage Midden. Deze beken vormen een wereld op zich: ze beginnen klein in de bovenloop en worden steeds breder richting de benedenloop. In dit bekenlandschap liggen unieke parels van biodiversiteit, met een afwisseling van heide en soortenrijke natte schraalgraslanden, bijvoorbeeld Wijnjeterperschar.
De al vroege waardering voor dit landschap vinden we terug in de landgoederen met een rijke historie, zoals bij Oranjewoud, Beetsterzwaag en Bakkeveen.
Voor meer informatie zie de vernieuwde versie (2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.
Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van west naar oost.
Aekingerzand –10 km
Rondwandeling vanuit Terwisscha door het bos en over het Aekingerzand

Start- en eindpunt:
Buitencentrum Drents-Friese Wold,
Terwisscha 6a, Appelscha.
Routemarkering:
In deze wandelroute zijn 2 kortere routes samengevoegd; de witte (Wandelroute Terwisscha) en de rode (Wandelroute Kale Duinen). De verbindingsroute is met rood-witte paaltjes gemarkeerd.
Wandelkaart
8 Staatsbosbeheer Drents-Friese Wold.
Verkrijgbaar bij De Zwerver
Honden
Aangelijnd toegestaan
Beste websites:
- Staatsbosbeheer
- Piet Smulders (achtergrondinfo)

Gebiedsbeschrijving
Het Aekingerzand, ook wel de Kale Duinen genoemd, is een bijzonder natuurgebied waar weer en wind vrij spel hebben. In de afgelopen jaren heeft Staatsbosbeheer het gebied geheel hersteld. Voorheen kon het zand niet meer stuiven door de aanwezigheid van bomen en bossen. Daardoor verdween langzaam het karakteristieke landschap, met zijn bijzondere dieren zoals de zandhagedis en de kommavlinder. Nu veel bomen zijn gekapt, krijgt het zand weer de ruimte om te stuiven. Het Aekingerzand ligt in een mooi afwisselend gebied, met open zandvlakten en aangrenzende natuur.
De Grenspoel (zie kaart hieronder) is een ven aan de rand van het stuifzandgebied. De grens van Friesland en Drenthe loopt er midden doorheen.
Vlakbij bevindt zich het beekdal van de Vledder Aa ook volop in ontwikkeling. Diepe ontginningssloten zijn gedempt, vervuilde grond is afgevoerd en het water zoekt weer zijn natuurlijke weg. Geleidelijk keren planten en dieren, die typisch zijn voor het beekdal weer terug.
- Het paars in de kaart kan van alles zijn: naast heisoorten (Struikhei, Gewone dophei, Kraaihei) ook gras, mos, of zelfs kale plekken.
- Er zijn onderweg voldoende zitbanken. Daarom heb ik ze niet in de kaart ingetekend.
- De zwarte streepjeslijn linksonder is de provinciegrens tussen Friesland en Drenthe.

Beetsterzwaag – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Beetsterzwaag
Het is een veenontginningsdorp, ontstaan op een zandrug vanuit het westelijker gelegen Ald-Beets. Al in de 17de eeuw roemde men het wegdorp om zijn fraaie buitenhuizen. Vooral in de 19de eeuw groeide deze hoofdplaats van Opsterland uit tot een deftig dorp met ‘een kilometer adellijke huizen’ omringd door parken en bossen. Tot 1940 hielden de huiseigenaren en grootgrondbezitters eventuele grootschalige uitbreidingen tegen. Daarna werd Beetsterzwaag een forensendorp van Drachten, met woonwijken haaks op de oude bewoningsas. (Dus tegenwoordig is het geen ge3woon wegdorp meer, maar een met komvorming).
…
Koptekst
…
…
…
…

Fochteloërveen – 11 km
Rondwandeling vanaf parkeerplaats Brunstingerplas over de westhelft van het Fochteloërveen

Start- en eindpunt:
P-plaats Brunstingerplas
De parkeerplaats is alleen vanuit het zuiden (Ravenswoud of Appelscha) te bereiken.
Routemarkering:
Geen. Gebruik dit kaartfragment.

Gebiedsbeschrijving
Het Fochteloërveen is een 2500 ha groot uitgestrekt hoogveengebied op de grens van Friesland en Drenthe. Het is een van de laatste hoogveen gebieden in West-Europa. Hoogveen is bijzonder en ontstaat alleen op plekken waar regenwater wordt vastgehouden en veenmos groeit. Voor de vorming van hoogveen is regenwater en veenmos cruciaal. Het veenmos zuigt het regenwater op en groeit naar boven. Aan de onderkant sterft het mos af, maar doordat het onder water staat, verteert het niet. Op deze manier is een eeuwenoud pakket aan veen ontstaan.
Het Fochteloërveen maakte vroeger deel uit van de uitgestrekte Smildervenen, die grote delen van noordwest-Drenthe en aangrenzend Friesland bedekten. Ook hier in het Fochteloërceen is sprake geweest van boekweitbrandcultuur, turfwinning en ontwatering, maar ondanks dat oogt het gebied verrassend gaaf.
Wat het Fochteloërveen bijzonder maakt, is de enorme openheid: een bijna boomloze vlakte die aan een savanne doet denken. In tegenstelling tot andere hoogvenen, zoals het Bargerveen of het Korenburgerveen, zie je hier nauwelijks struikopslag of verrijking van het veen. Daardoor ervaar je het landschap als een van de meest ongeschonden hoogveenrestanten van Nederland.
Omdat het Fochteloërveen gedeeltelijk tot Groningen en gedeeltelijk tot Friesland behoort, vermeld ik dit gebied op beide pagina’s.
Flora en fauna
In de natte delen groeien veenmossen. Van de grassen zien we o.a. Pijpenstrootje, Eenarig wollegras (bloeiwijze bestaat uit slechts een aar) en Veenpluis (bloeiwijze bestaat uit meerdere aren). De drogere heideranden worden gekleurd door Gewone dophei en Struikhei.
Het open hoogveen en de heidevelden bieden leefgebied aan zeldzame vogels, zoals de Kraanvogel, Blauwe Kiekendief, Goudplevier en Geoorde Fuut.
Kijk verder op de mooie website Fochteloërveen

Ketliker Skar – 6,9 km
Adellijk cultuurbos (met snippers grasland en heide) ten zuidoosten van Heerenveen

De Tsjonger is hier een gekanaliseerd riviertje. Rechtsonder in de kaart zie je de opnieuw uitgegraven voormalige meanders.
Start- en eindpunt:
Het onbemande “informatiecentrum It Fryske Gea”,
Schoterlandseweg 24A,
8455 JG Katlijk.
Parkeerplaatsen:
Zowel bij het beheersgebouw aan de Schoterlandseweg 24A als aan de zuidkant aan de Tjongervalleiweg.
Wandel-app van It Fryske Gea:
…
Routemarkering:
…
Honden:
In het Ketliker Skar en de Tjongerdellen zijn honden niet toegestaan. Op de Katlijkerheide zijn honden aangelijnd welkom.
Uitkijktoren:
Vanaf de hoge uitkijktoren (de ‘Tjongertoer’) zijn het deelgebied de Tjongerdellen prachtig te overzien.
Eindbeoordeling:
Ondanks lange, rechte lanen een mooie, gevarieerde wandeling, maar wel kort. Opvallend zijn de vele Tamme kastanjes en Damherten.
Beste websites:

Gebiedsbeschrijving
Het gebied ligt enkele kilometers ten zuidoosten van Heerenveen en is genoemd naar het dorpje Katlijk (Ketlik in het Fries). Ketliker Skar is de Friese en officiële benaming van het gebied. Skar betekent een heideachtig, open terrein. Het woord zal waarschijnlijk samenhangen met het feit dat men er vroeger zijn vee liet lopen. Het vee werd er dus ingeschaard.
Tot ver in de 19de eeuw bepaalde heide de omgeving van het huidige Ketliker Skar. Bij de ontginning in opdracht van de familie Bieruma Oosting werd het bos aangelegd. Sinds 1969 is het bos, met jachthuis het Slotsje, eigendom van It Fryske Gea. De Katlijkerheide, ten noorden van de Schoterlandseweg hoort nu ook bij het complex, net als de Tjongerdellen ten zuiden van de Tjongervalleiweg. Tegenwoordig bestaat het gebied grotendeels uit bos afgewisseld door heideveldjes en graslandjes. Het oogt nu als een parkachtige omgeving.
Het gebied is langgerekt en smal, waardoor je telkens doorkijkjes hebt naar het omringende boerenland.
Het Ketliker Skar bestaat voor het grootste deel uit cultuurbos. Naast lanen van Beuken, Zomereiken en Tamme kastanjes, kwamen er hakhoutbosjes en percelen met sparren. De lange, rechte lanen geven het bos iets statigs, maar het ging de eigenaar niet alleen om het aanzicht. Houtproductie en jacht op damherten maakten het gebied functioneel.
Vandaag de dag is het Ketliker Skar een rustig wandelgebied. Het oude, eentonige productiebos is door It Fryske Gea omgezet naar meer natuurlijk bos met een grote diversiteit. Dit is nodig omdat een gemengd bos een stuk klimaatbestendiger is dan de “houtakkers” die uit één of enkele soorten bestaan. Krijgt één soort het zwaar? Dan zullen de overige boomsoorten het bos in stand houden. Ook is het gemengde bos minder gevoelig voor bosbranden, het houdt (grond)water beter vast en verrijkt de bodem.
It Fryske Gea heeft later haar bezittingen hier nog verder uitgebreid met aankopen op de Katlijkerheide, aan de noordzijde van de Schoterlandseweg en in de Tjongerdellen, de hooilanden aan beide zijden van de Tsjonger.
Veel variatie
Er is een grote variatie aan boomsoorten. Behalve de inlandse eiken zijn er ook soorten aangeplant die hier eigenlijk niet thuishoren, zoals Witte paardekastanje, Tamme kastanje, Japanse larix, Douglasspar en Pontische rododendron.
Het gebied wordt begraasd door Schotse Hooglanders (en enkele keren per jaar een mobiele schaapskudde). Er lopen hier veel damherten en wat reeën. Vanwege de grazers zijn honden hier niet toegestaan.
Katlijkerheide
Opvallend aan de Katlijkerheide is het reliëf. Deels is het hoog en droog, maar langs de vennetjes laag en vochtig. Waar de heide uit oogpunt van beheer is afgeplagd, is weer een mooie deken ontstaan die de bodem bedekt. We vinden er drie soorten heide: Struikhei, Gewone dophei en Kraaihei.
Tjongerdellen
Van een heel andere orde zijn de Tjongerdellen in het dal van de Tsjonger. Hier heb je lage hooilanden met sloten en meanders. Het riviertje de Tsjonger is gekanaliseerd, maar de voormalige meanders zijn nog zichtbaar, omdat ze opnieuw zijn uitgegraven. De hooilanden staan ’s winters vaak onder water, met als gevolg dat in het groeiseizoen dotterbloem, echte koekoeksbloem en waterkruiskruid zich in overvloed kunnen ontwikkelen. Weidevogels als Kievit, Grutto en Scholekster broeden hier.
De uitkijktoren (Tjongertoer) geeft een prachtig uitzicht over de Tjongerdellen.
Schotse Hooglanders en Damherten
Houd afstand tot de Schotse hooglanders, zeker als er kalfjes bij zijn. Je zult dan een alternatieve route moeten nemen door het bos of over een ander pad, maar verdwalen is hier niet mogelijk.
De damherten waren niet schuw.

Mandefjild – 8,5 km
Natuur en cultuurhistorie op de grens van Fryslân en Drenthe


Start- en eindpunt:
Toeristisch Overstappunt Bakkeveen, Mjûmster Wei 16, 9243 SK Bakkeveen (dit is de grote parkeerplaats Dúndelle)
Het startpunt (= knooppunt 62) is in het bos ten zuiden van de uitkijktoren.
Beste routemarkering:
Bovenstaande wandelknooppunten.
Horeca:
Bij het startpunt en soms bij De Drie Provinciën (halverwege de route).
Hond:
Aangelijnd toegestaan.
Veel wandelaars in het weekend:
Het Mandefjild is een van de mooiere natuurgebieden in Fryslânen daardoor heel geliefd bij wandelaars. Ga daarom bij voorkeur niet in het weekend. Dan is het daar erg druk.
Beste websites:
- It Fryske Gea
- Sovon (Inleiding bij Broedvogels van natuurgebied het Mandefjild in 2009)

Gebiedsbeschrijving
Het Mandefjild ligt aan de westzijde van het Drents Plateau op een zandrug aan de zuidzijde van het Alddjip. Deze zandrug was in de Middeleeuwen een van de belangrijkste transportroutes tussen Drenthe en Friesland. Ter hoogte van veenkolonioaal dorp Bakkeveen lag de rug tussen twee veengebieden in. Overbegrazing in de Middeleeuwen leidde tot vernietiging van de vegetatie, waardoor kale plekken ontstonden die zich konden aaneensluiten tot een stuifzandgebied van formaat. Tegenwoordig is er nog nauwelijks open stuifzand: ongeveer de helft is nu bos. Het werd aan het begin van de twintigste eeuw beplant met Grove den (Pinus sylvestris) om de woestijn te beteugelen. De andere helft is nu overwegend (droge en natte) heide. Slechts een klein restant is stuifzand gebleven. In het gebied zijn een aantal zure vennen aanwezig, die hier dobben worden genoemd. Zie bijv. de Poepedobbe op de kaart.
Door deze verschillende landschapstypen is er een gevarieerde flora en fauna.
Het gebied is ook rijk aan cultuurhistorie. Ik denk daarbij aan gebruikelijke elementen als grafheuvels, karrensporen en schaapskooi met schapen. Daarnaast hebben ze nog iets heel unieks, een Landweer.
Pingoruïnes
De Harmsdobbe en de Pûpedobbe zijn zgn pingoruïnes. De Harmsdobbe is vernoemd naar boer Harm Terpstra die de dobbe begin vorige eeuw liet uitbaggeren. Ze diende jarenlang als zwemgelegenheid. In latere tijden werden de dobben ook wel gebruikt om bijvoorbeeld schapen te wassen.
Landweer
Deze oude verdedigingswal met gracht ligt op de grens van Fryslân en Drenthe. Omdat hier een van de weinige toegangen tot Fryslân was, had de wal een grote strategische waarde. Ze werd in de vijftiende eeuw is opgeworpen en was oorspronkelijk veel langer dan de huidige kilometer. De begroeiing bestond uit stekelstruiken zoals Hondsroos, Meidoorn en Sleedoorn. Aan de Drentse zijde was een gracht. Nu heb je daar nog een diepe sloot. Zo vormde ze een ondoordringbare linie met op één plek een doorgang. Die plek is vlakbij het drie provinciën punt. Daar liep in het verleden de belangrijkste verbindingsroute naar Drenthe.
Tegenwoordig is de Landweer een 1.50 meter hoge wal met bomen en struiken beplant.
Grafheuvels
Er zijn vier grafheuvels langs de wandelroute door de holle weg
Holle weg
Tot halverwege de 19e eeuw was de holle weg de belangrijke verbinding tussen Fryslân en Drenthe. Iedereen moest via deze weg, want zowel noordwaarts als zuidwaarts lagen ondoordringbare hoogveenmoerassen. Door het veelvuldige gebruik met karren werd de zandweg kapotgereden en het losse zand waaide weg. Dit hield op bij het bereiken van een lager gelegen harde leemlaag. Hierdoor ligt de weg nu tussen twee hellingen van ongeveer 1 m hoog.
Heide
De kenmerkende begroeiing van heide bestaat grotendeels uit dwergstruiken aangepast aan voedselarme omstandigheden en daarnaast enkele soorten grassen.
De grassen gingen eind twintigste eeuw in veel heideterreinen domineren. Bochtige smele in droge heide en Pijpenstrootje in natte. Deze vergrassing was deels een reactie op het verdwijnen van begrazing, plaggen en branden, maar werd in de hand gewerkt door de aanvoer van stikstof via de lucht. De typische heideplanten raakten hierdoor in de verdrukking.
In het kader hieronder zie je de kenmerkende soorten van droge en natte heide.
Droge heide (het merendeel)
- kleine, paarse bloemen in augustus. Ze is de meest algemeen heideplant en verantwoordelijk voor de ‘paarse‘ heide,
Kraaihei (in de Bakkeveensterduinen):
- onopvallende bloemen,
- zwarte, glanzende bessen,
- blaadjes zijn zomers glanzend, donkergroen,
- vormt plakkaten (matten) onder dennen.
- de pluim vertoont in de hoofdas, en dikwijls ook in enkele takken, een spiraalsgewijze kronkeling die deze grassoort haar naam hebben bezorgd.
Natte heide (een beetje)
Gewone dophei (in natte laagten en vennen)
- roze urnvormige bloemen al in juni (dus al vroeg),
- Kenmerkend voor natte heidevelden, waarvan het Dwingelderveld de belangrijkste vertegenwoordiger is. Ook voor hoogveen, zoals in het Bargerveen en tal van kleine met veen dichtgegroeide vennen.
Pijpenstrootje (in zuidelijke deel van Heide van Allardsoog)
- vormt hoge, dichte pollen
- het overgrote deel van de stengel, is knooploos, vertoont dus geen knikken en is daardoor te gebruiken voor het doorsteken van pijpen: vandaar de naam Pijpenstrootje.

Oranjewoud – 9,5 km
Landgoedwandeling nabij Heerenveen.

Start- en eindpunt:
Museum Belvédère, Oranje Nassaulaan 12, 4884 MT Heerenveen.
Beste websites:

Oranjewoud parklandschap
Voor koninklijke bossen hoef je niet bij Apeldoorn of De Vuursche te zijn. Ook Friesland heeft koninklijk groen: Oranjewoud. Dit koninklijke bos ligt ten oosten van Heerenveen en bestaat uit eeuwenoude landgoederen met schitterende landhuizen en eiken- en beukenlanen, waterpartijen en kleine weilandjes in het bos.
Bezoek in ieder geval ook de prachtige Overtuin, aan de overkant van Huize Oranjewoud. Daar wandel je over kronkelige paden, langs kunstig gesnoeide hagen, een slangenmuur en kruidentuin.
Landgoed Oranjewoud werd in 1676 gesticht door Albertine Agnes van Oranje. Zij was getrouwd met de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau (een van de voorvaderen van ons huidige koningshuis). In hun kielzog trokken tal van andere rijke Friezen naar het gebied. Ook zij bouwden hier landhuizen en legden parken en tuinen aan.
1. Museum Belvédère
‘Dêr rikt de kinst natûr de hân’, schreef men honderd jaar terug over Landgoed Oranjewoud. Daar rijkt de kunst de natuur de hand, en beter kunnen wij het vandaag de dag niet zeggen. Een dag in Oranjewoud is pas echt compleet met een bezoek aan het museum. Het gebouw gaat prachtig op in de omgeving en de wateren rondom het museum trekken niet alleen vogels en insecten aan, ’s avonds is het een jachtgebied voor verschillende soorten vleermuizen die huizen in de speciale voegen van het museum. Het museum ligt op de centrale as van het landgoed Oranjewoud en kijkend over het Grand Canal zien we het landhuis al liggen.
2. Landgoed Oranjewoud
In 1676 kocht Albertine Agnes van Oranje (weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau) hier een aantal landerijen en bospercelen en noemde dit gebied ‘Oranjewoud’.
Opvallend zijn de statige lanen aan weerszijde van het landhuis, hoe meer rijen bomen breed hoe voornamer de lanen zijn. De laan aan de westzijde van het landhuis telt 9 rijen bomen!
Vroeger liep de centrale zichtlijn vanaf het landhuis in zuidelijke richting door tot aan de rivier de Tjonger, ruim 3,5 km verderop. Maar door de opkomst van de Engelse landschapsstijl in de Overtuin is deze zichtlijn verloren gegaan.
3. De Overtuin
Tegenover landhuis Oranjewoud ligt de Overtuin. Vroeger hét gebied waar de adel ’s middags hun wandelingen maakten. Origineel aangelegd in het begin van de 18e eeuw in de strakke Franse barokstijl, toen helemaal in de mode.
Rond 1830 is de Overtuin opnieuw aangelegd in de Engelse landschapsstijl, deze vinden we vandaag de dag nog steeds terug. Het is een schitterende tuin. Laat je verrassen door de romantisch kronkelende paden en enkele monumentale bomen en mooie waterpartijen.
4. Uitkijktoren Belvédère
Bezoek vooraf even de begraafplaats Brongergea met klokkenstoel.
De uitzichttoren ‘De Belvedère’ werd bijna honderd jaar geleden gebouwd op de ‘Berg van Brongergea’. De plek waar eerder al een houten toren had gestaan. De uitkijktoren is een bijzonder rijksmonument, het is een van de oudste bouwwerken van beton met zulke grote afmetingen. De toren verheft zich maar liefst 30 meter boven het omliggende maaiveld en steekt ruim boven het omliggende bos uit. Vanaf het uitzicht plateau bovenop de toren kan bij helder weer tot aan de Waddeneilanden worden gekeken!
5. Reigersbos
Wanneer je het Reigersbos inloopt kom je op de Flapsingel. Een laan van 2,5 km die onderdeel uitmaakt van de centrale as van landgoed Oranjewoud. Deze singel heeft zijn naam te danken aan het feit dat hier vroeger vogels werden ‘geflapt’ (bejaagd voor de consumptie).
In dit oude bos huist een grote variëteit aan flora en fauna. Je treft hier regelmatig reeën, verschillende soorten spechten en ook de das voelt zich hier prima thuis. Loop je langs de oude beuken? Kijk dan vooral ook goed naar boven, misschien zie je nog wel een bosuil of eekhoorn zitten.
6. Veenwijkbos
Loop van knooppunt 08 niet naar punt 09, het Veenwijkbos, maar ga naar punt 07 en verder noordwaarts naar Hotel Tjaarda. In het Veenwijkbos loop je namelijk dicht bij de snelweg met voortdurend geluidsoverlast.
7. Hotel-restaurant Tjaarda
Wandelaars zijn hier welkom.
8. Houten vlonderpad
Het loopt slingerend door de bosjes met hakhout. Uit deze bosjes werd vroeger het hout gehaald wat nodig was om de ovens en kachels in het landhuis te stoken. Tegenwoordig beheert Staatsbosbeheer deze bosjes nog steeds op dezelfde manier als in de 18e eeuw. Het vlonderpad ligt precies op NAP en geeft tevens de scheiding aan tussen veengrond en zandgrond aan
weerszijden van het pad.

… – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…

6. Het Lage Midden (4 routes)
Snel naar:
- Alde Feanen – 11,5 km
- Deelen – 5,3 km
- Easterskar – 11 km
- Rottige Meente & Brandemeer – (7 km + 6 km)

Gebiedsbeschrijving
Het Lage Midden, ook wel het veenweidegebied genoemd, is, zoals de naam al aangeeft, het lage middendeel ten zuidwesten van de lijn Leeuwarden – Drachten. Eromheen liggen hogere gronden: de zeekleigronden van Westergo in het westen, de zandgronden van de Zuidelijke Wouden in het oosten (en de stuwwallen van Gaasterlân in het zuidwesten). Door die lage ligging deden zich afwateringsproblemen voor. In de moerassen die ontstonden, werden dikke lagen veen gevormd. Aan deze veenvorming kwam omstreeks het begin van de middeleeuwen een einde doordat de zeespiegel toen zo hoog was gestegen dat de streek onder water liep.
Het overgrote deel van het gebied ligt tegenwoordig gemiddeld één à twee meter beneden de zeespiegel. Het is dus een badkuip !
Op basis van latere, cultuurhistorische ontwikkelingen kan het Lage Midden in twee deelgebieden worden opgesplitst:
- Het Merengebied, het westelijke deel van het Lage Midden, waar het veen was weggeslagen en elders geleidelijk afgedekt door een kleilaag. Het heeft een sterk agrarisch karakter. Het is een open gebied, dooraderd met sloten in een unieke, opstrekkende verkaveling. Het is het land van grasland en boezemmeren. Samen met de vaarten en kanalen vormen de meren niet alleen het hart van het Friese oppervlaktewater – het Friese boezemsysteem – maar ook een natuurgebied van grote omvang.
- De Veenpolders, het oostelijke deel van het Lage Midden. Hier werd het veen door een systeem van binnendijken en kaden langzamerhand drooggelegd. Deze polders liggen aan de voet van het hoger gelegen zand. Je vindt er uitgestrekte laagveenmoerassen zoals de Alde Feanen, de Deelen (ten noorden van Heerenveen), Easterskar (ten zuidwesten van Heerenveen) en de Rottige Meente (ten zuiden van Wolvega). Drie ervan zijn Natura 2000-gebieden en behoren dus tot de hoogste kwaliteit natuur in Nederland. Alleen Easterskar is geen Natura 2000. Op het eerste oog zie je echter geen verschil.
De Veenpolders zijn vanaf de 19e eeuw systematisch ingericht. Dorpen liggen hier kilometerslang aaneengesloten, zoals de reeks ten noorden van Heerenveen: Terband – Luinjeberd – Tjalleberd – Gersloot. Deze passeer je als je naar de wandeling in de Deelen rijdt.
De Veenpolders hadden tot halverwege de 18e eeuw een min of meer vergelijkbare landschapsgeschiedenis als de rest van het Lage Midden. In de loop van het Holoceen raakte dit gebied bedekt onder een dik veenpakket, dat op sommige plaatsen uitgroeide tot zogeheten hoogveenkoepels die enkele meters boven het maaiveld uitstaken.
In de volle middeleeuwen (11e–12e eeuw) begon men met grootschalige agrarische veenontginningen, vooral stroomafwaarts langs de grotere veenriviertjes. Daarbij groef men min of meer dwars op deze riviertjes sloten in het veen. Op het ontgonnen land werd tijdelijk akkerbouw bedreven. Het ruimtelijke gevolg was een patroon van opstrekkende kavels, min of meer dwars op de veenriviertjes. Binnen een ontginningsblok, vanaf de basis van het veenriviertje tot aan de grens van het volgende blok, is de verkavelingsrichting doorgaans regelmatig. Nederzettingen ontstonden vaak als lint langs dezelfde rechtlijnige (water)wegstructuur, waardoor zogenaamde lintbebouwingen of wegdorpen werden gevormd.
Na de agrarische veenontginningen brak een onstuimige periode aan. Door ontwatering en veenoxidatie daalde het maaiveld snel, waardoor de akkers op het ontgonnen hoogveen niet langer bewerkbaar waren. Het gebied werd bovendien extra kwetsbaar voor stormvloeden en opstuwend binnenwater. Ook slibde de Middelsee dicht, wat de afwatering plaatselijk bemoeilijkte.
(Zie hiervoor de vernieuwde versie van 2025 van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.)
Mijn mooiste wandelingen
Onderstaande wandelingen laten de mooiste delen van deze regio zien, van noord naar zuid:
Alde Feanen – 11,5 km (verlenging mogelijk)
Groot laagveenmoeras met open water, rietland, grasland en moerasbos.

Start- en eindpunt:
Voormalig bezoekerscentrum
Koaidyk 8a
9264 TP Earnewâld
Veerpontje Hin en Wer:
Deze route maakt gebruik van een pontje. Check voor vertrek de actuele vaartijden.
Verlenging wandeling mogelijk:
Je kunt de Wandelroute Jan Durkspolder ook volledig doen. Dan krijg je 11,5 + ca. 5 = ca. 16,5 km.
Hond:
Aangelijnd toegestaan.
Verrekijker:
Deze is de hele route belangrijk en speciaal bij de vogelkijkhutten en uitkijktoren.
Routemarkering:
Wandelknooppunten.
Beste websites of pagina’s:

Gebiedsbeschrijving
Het gebied Alde Feanen vormt één van de overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen, dat in de vroegere eeuwen noordwest Overijssel en het Lage Midden van Fryslân besloeg. Het bestaat uit open water (plassen, petgaten, vaarten en sloten), rietland, grasland en moerasbos.
De Alde Feanen is een schoolvoorbeeld van een natuurgebied dat is gesmeed door natuur en mens. De natuur was uiteraard het eerst aan zet. Scandinavische gletsjers zetten in de laatste ijstijd een fikse laag keileem af. Later bleven rivier- en regenwater daarop staan. Op de ondergelopen graslanden ontstonden zo dikke lagen zompig veen. Turfstekers waren er dan ook als de kippen bij om het gebied te ontginnen, in hun kielzog gevolgd door molenaars, boeren en rietstekers. Toch vonden veel Friezen het lange tijd maar een onland, dat verraderlijke laagveenmoeras dat zomaar je laarzen kon inslikken.
Inmiddels zijn de plassen, petgaten, trilvenen, rietlanden, graslanden en moerasbossen juist razend populair onder recreanten. Vooral sinds ruim 4000 hectare met een dikke strik werd ingepakt tot het twintigste nationale park van ons land.
Earnewâld
Het veenontginningsdorp is ontstaan in de 18de eeuw als nederzetting in het veen aan het Wiid. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde het dorp zich tot watersportcentrum, waartoe onder meer de scheepswerf voor historische vaartuigen ‘De Stripe’ werd gebouwd.
Planten en dieren
Het gebied van de Alde Feanen (Open Venen) beslaat een breed scala aan landschappen. Vandaar dat er maar liefst 450 soorten planten voorkomen, waaronder typische waterplanten als de Witte waterlelie en Gele plomp.
Open water
Waar vis is, zijn vogels en dus kun je de Fuut, Aalscholver en Blauwe Reiger zomaar zien vliegen en jagen.
De grotere plassen vormen in het najaar en in de winter, zo lang het water niet dichtvriest, belangrijke rust- en pleisterplaatsen voor watervogels. Vooral duizenden eenden, als smient, wilde eend, krakeend, kuifeend en tafeleend verblijven op deze plassen.
Rietland
In de Alde Feanen vind je drie soorten riet. Er is het waterriet, dat groeit in water tot maximaal 1 meter diep. Je hebt overgangsriet, dat vind je in ondiep water. En er is landriet, dat op de ‘vaste wal’ staat.
Met elkaar vormt het riet in de Alde Feanen een groot deel van het totale oppervlak. Langs het open water van plassen komen uitgebreide rietgordels voor. Allerlei vissen maken gebruik van riet als paai- en schuilplaats. Daarnaast biedt riet moeras- en watervogels, zoals de Baardman, Kleine Karekiet en Rietgors, een veilige nest- en foerageerplaats. Houd ook de oren gespitst voor de misthoornachtige whoemp van de Roerdomp.
Grasland
Sommige delen van het grasland zijn vrij zeldzame bloemrijke graslanden – de blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden.
Moerasbos
In verhouding tot het duizenden jaren oude gebied, is het moerasbos in de Alde Feanen nog heel jong. In de Tweede Wereldoorlog is door de behoefte aan brandhout vrijwel al het bos in de Alde Feanen gekapt. Door deze gebieden tientallen jaren met rust te laten hebben zich waardevolle elzenbroekbossen ontwikkeld. Naast de Zwarte els, is de Grauwe wilg een kenmerkende soort.

Deelen – (3,2 +1,8) = 5 km
Laagveenmoeras met open water, rietland, grasland en moerasbos.

Aanrijroute:
Navigeer met je TomTom naar Tjalleberd. Rijd daar door de hoofdstraat oostwaarts naar Gersloot. Voorbij Gersloot bij het bord “Einde bebouwde kom” zie je een wegwijzer met daarop “De Deelen”. Rijd daar dus noordwaarts. Na drie km kom je bij een brug. Steek die over en sla linksaf. Bij het einde van de weg langs deze Heafeart (Hooivaart) is de parkeerplaats.
Start- en eindpunt:
Parkeerplaats Hooivaartsweg 8458 ER Tjalleberd
Routemarkering:
Rondwandeling van 3,2 km is rood gemarkeerd.
Verrekijker mee:
De Deelen geniet naam en faam als internationaal belangrijk vogelgebied.
Beste websites:

Gebiedsbeschrijving
Het gebied Deelen vormt één van de overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen, dat in de vroegere eeuwen Noordwest-Overijssel en het Lage Midden van Fryslân besloeg.
De Deelen behoort tot de laatste verveningen in Fryslân. Hier is men pas in het begin van de twintigste eeuw met vervenen begonnen. Er wordt nog steeds wat veen gewonnen. In het kader van natuurontwikkeling worden ook petgaten gegraven.
Het laagveenmoeras wordt gekenmerkt door talloze, langgerekte petgaten van elkaar gescheiden door smalle legakkers (stripen in het Fries). Hierop werd de turf te drogen gelegd. Over twee kanalen werd de turf vervolgens afgevoerd. Zie op het kaartfragment de Alddeel (Oude Deel) en de Twadde Deel (Nieuwe Deel).
Na de Tweede Wereldoorlog liep de vraag naar turf snel terug. Tegenwoordig wordt in de Deelen alleen nog wat turf gewonnen dat als potgrond wordt verkocht. Dat levert nieuwe petgaten op die gekenmerkt worden door open water, kale oevers en brede legakkers waarop grassen, braamstruiken en pitrus woekeren.
Water in de Deelen
Omdat het omliggende gebied wordt bemalen en een laag waterpeil heeft ten behoeve van de landbouw, is het moerasgebied relatief hoog in het omliggende gebied komen te liggen. Daardoor treedt er wegzijging van water op. Om het peil in het reservaat te handhaven moet daarom ’s zomers boezemwater worden binnengelaten. Vanaf 1993 wordt dit boezemwater deels door een helofytenfilter gevoerd, terwijl steeds grotere delen van het reservaat met fosfaatarm water uit een zandwinplas ten zuiden van de Heafeart (Hooivaart) worden gevoed.

Easterskar – 11 km
Laagveenmoeras met open water, rietland, grasland en moerasbos.

Aanrijroute:
Neem afslag 11 van de A32 en rijdt richting Heerenveen en vervolgens Rottum (N924).
Na Rottum rijd je 3 km rechtdoor en sla dan linksaf naar vogelkijkhut Skiere Goes (Grauwe Gans). De parkeerplaats met infopaneel is aan het einde van de doodlopende weg. Honderd meter verderop via het rolstoelpad kom je bij de vogelkijkhut.
Start- en eindpunt:
Parkeerplaats aan de Richard Jungweg.
Routemarkering:
Niet nodig.
Hond:
Aangelijnd toegestaan.
Verrekijker:
Belangrijk, niet vergeten!
Beste websites:

Gebiedsbeschrijving
Het gebied Easterskar vormt één van de weinige overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen, dat in de vroegere eeuwen noordwest Overijssel en het Lage Midden van Fryslân besloeg.
Het ligt ten zuidwesten van Heerenveen. Dit laagveenmoeras (562 ha) is ontstaan tijdens de grootschalige verveningen in de 19e eeuw. Anders dan Westerskar is het later niet in cultuur gebracht. Er zijn zelfs zandwinplassen bijgekomen.
(Skar is Fries voor schar, gemeenschappelijke weidegrond. Naast Easterskar (Oosterschar) heb je ook nog een Westerskar iets verder naar het westen toe.
Het laagveenmoeras wordt gekenmerkt door talloze, langgerekte petgaten van elkaar gescheiden door smalle legakkers (stripen in het Fries). Hierop werd de turf te drogen gelegd. Daarnaast zijn er grote plassen, rietland, drassig grasland en moerasbos.
Doordat de plassen – net als in de nabijgelegen Brandemeer – tamelijk voedselrijk zijn, is er een rijke vogelwereld. Het hele jaar zijn er groepen Grauwe Gans, Brandgans, Krakeend en Slobeend te bewonderen. In de rietkragen laten Baardmannetje Snor, Rietzanger en Blauwborst van zich horen. Vergeet dus de verrekijker niet. Van de zoogdieren komt hier de Otter voor.
Daarnaast zijn er nog enkele van de oorspronkelijke veenheideterreinen in het gebied aanwezig, wat zeer bijzonder is. Een van de soorten die je hier kunt vinden – en elders afwezig is – is de Adder.
Water in het Easterskar
Omdat het omliggende gebied wordt bemalen en een laag waterpeil heeft ten behoeve van de landbouw, is het moerasgebied relatief hoog in het omliggende gebied komen te liggen. Daardoor treedt er wegzijging van water op. Daardoor dreigt verdroging, terwijl een laagveenmoeras juist een hoge en stabiele waterstand nodig heeft.
Om het waterpeil op niveau te houden, wordt water uit de Tjonger aangevoerd via een smalle moerasstrook.
Dat rivierwater is echter voedselrijker dan het oorspronkelijke veenwater. Te veel voedingsstoffen leiden tot verruiging: snelgroeiende soorten zoals riet en lisdodde verdringen dan de kenmerkende planten van voedselarme veengebieden.
Daarom is tussen de Tsjonger en het moeras een helofytenfilter aangelegd.
Hoe werkt een helofytenfilter?
Een helofytenfilter is een kunstmatig rietmoeras dat water op natuurlijke wijze zuivert. Helofyten zijn moerasplanten zoals riet en lisdodde.
Het water stroomt langzaam door het filter. Bacteriën rond de wortels en in de bodem breken voedingsstoffen en andere stoffen af. De planten brengen zuurstof in de bodem, waardoor verschillende soorten bacteriën hun werk kunnen doen.
Zo stroomt schoner water het Easterskar binnen.

Jager K. 2025. Broedvogels van It Easterskar in 2024. Sovon-rapport2025/25

Benodigde wandelgids met Route-app:

WEERRIBBEN WIEDEN, De Natuurgids
Crossbill Guides
Dirk Hilbers
KNNV Uitgeverij (Nederland)
Verkrijgbaar bij De Zwerver
Rottige Meente (7 km) & Brandemeer (6 km)
Laagveenmoerassen met open water, rietland, grasland en moerasbos.


Start- en eindpunt Rottige Meente-wandeling:
Kleine parkeerplaats bij de Oldelamerbrug 1 km ten noorden van Munnekeburen.
Routemarkering:
Grotendeels rode markering.
Verrekijker:
Belangrijk. Niet vergeten.
Hond:
Aangelijnd toegestaan.
Drukke fietspaden:
In de Rottige Meente maken de wandelroutes tamelijk veel gebruik van de smalle schelpenfietspaden. Dat is geen succesformule. Ga daarom daar alleen op rustige dagen wandelen.
Wandelroute:
Zowel het boek Weerribben-wieden als de website Weg van Wandelen hebben beide wandelingen samengevoegd tot één lange wandeling. Doe dat niet, want je loopt dan ook 2 keer het lange, saaie graspad van 1700 m langs de Helomavaort.
Beste websites:


Start- en eindpunt Brandemeer-wandeling:
Kleine parkeerplaats bij de infohut. De zwarte stippellijn in de kaart geeft de aanrijroute aan vanaf de parkeerplaats bij de Oldelamerbrug.
Routemarkering:
Wandelknooppuntennetwerk, daarnaast ook grotendeels rode markering.
Verrekijker:
Niet vergeten.

Gebiedsbeschrijving
Rottige Meente en Brandemeer maken deel uit van een schakel van laagveenmoerassen die zich uitstrekt van Noordwest-Overijssel (Weerribben-Wieden) tot in Midden-Friesland (Easterskar en de Deelen).
Ze worden gescheiden door de Helomavaort, een afvoerkanaal dat in de jaren 1920 werd verbreed en verdiept om het riviertje de Lende te ontlasten, die door de ontginning van hoogveengebieden in de bovenloop steeds meer water moest verwerken.

Rottige Meente is na de Alde Feanen het grootste laagveenmoeras van Friesland (ca. 1165 ha). Rottige Meente wordt in het zuidoosten begrensd door het riviertje de Lende, die hier grensrivier is met Overijssel. Slechts 1 km verder zuidwaarts ligt Ossenzijl en de Weerribben.
Rottige meente bestaat uit petgaten en legakkers met plaatselijk grotere plassen.
Het landschap is zeer gevarieerd door uiteenlopende leeftijdsstadia van het moeras. Met name de noordzijde kenmerkt zich door opgaande, verouderende moerasbossen rond de Scheene, terwijl de zuidzijde een open karakter heeft met uitgestrekte veenmosrietlanden waar in de wintermaanden riet wordt gemaaid. Met name op de flanken van het gebied is in de afgelopen 25 jaar nieuw moeras ontwikkeld in voormalige weilanden. Dit zorgt voor jonge moerasstadia met een afwisseling van open water en flinke oppervlakten aan helofyten.
Rottige Meente is minder bekend en minder bezocht dan Weerribben-Wieden waardoor het een uitstekend alternatief biedt voor wie de zomerse drukte van de bootjes bij Ossenzijl en Kalenberg wil vermijden.
De Rottige Meente ligt ten zuidwesten van Wolvega tussen de riviertjes Tsjonger en Lende. Met ruim 1.000 hectare is het weliswaar kleiner dan de Weerribben, maar nog steeds een aanzienlijk natuurgebied. Een van de aantrekkelijkste aspecten zijn de veel ruimere wandelmogelijkheden.
De naam Rottige Meente verwijst naar het verleden: hier ging het om gemeenschappelijke weidegronden van slechte kwaliteit.

Brandemeer, in de veenpolder Oldelamer, is een relatief jong natuurgebied van ca. 450 ha. Het bestaat uit een noordelijk en een zuidelijk deel. Wij bezoeken het zuidelijke deel wat in beheer kwam bij Staatsbosbeheer. Sindsdien veranderde het zuidelijke gebied in een afwisseling van nieuw gegraven petgaten, rietlanden die grotendeels gemaaid worden in de wintermaanden en kruidenrijke graslanden. Tussen de petgaten liggen zetwallen. Deels worden deze jaarlijks gemaaid, waarmee ze openheid behouden, maar op veel zetwallen is sprake van een
toenemende begroeiing met (wilgen)struweel en bosopslag (berk/els).
Brandemeer dankt zijn naam waarschijnlijk aan een grote veenbrand die hier ooit heeft gewoed.

Ontginning
Vele duizenden jaren geleden was dit een kale vlakte doorsneden door riviertjes. Ongeveer 3000 jaar geleden begon zich veen te vormen in de natte laagtes en vanaf ongeveer 1000 na Chr. vestigden zich boeren in de ontstane veenmoerassen. Ze groeven sloten en legden de grond droog. Maar omdat de grond daardoor inzakte, werd de natter wordende grond steeds minder geschikt voor akkerbouw en later ook voor veeteelt. Alleen hooien kon soms nog.
Veen
Gelukkig zorgt de vraag naar turf voor een nieuwe broodwinning. Door een landelijke behoefte aan deze brandstof kwam dit na 1800 goed op gang. Turfmakers kwamen van heinde en verre en de bevolking groeide snel. Per schip ging de turf vooral naar Amsterdam.
Groote Veenpolder
Vanwege overstromingsgevaar werden speciale polders aangelegd. Zo ligt de Rottige Meente in de Groote Veenpolder. Voor de bemaling werden daar zes windmolens gebouwd en in de polderdijk kwamen sluizen, waaronder de Scheenesluis.
De Brandemeer ligt in in een andere polder, de Polder Oldelamer.
Riet
De vervening loopt teneinde tegen de Tweede Wereldoorlog. De uitgeveende trekgaten groeiden daarna dicht met riet. Dat gaf de aanzet tot een nieuwe broodwinning; de rietteelt. Die speelt hier tot op heden een belangrijke rol.
Een markante scheiding
Toen rond 1100 de eerste kolonisten in dit moerasgebied gingen boeren, was er grond genoeg tussen de riviertjes Tsjonger en Lende. Dat veranderde toen meer mensen arriveerden en de huidige dorpen vorm kregen. Er ontstond zelfs behoefte aan een scheiding tussen de dorpsgebieden. Daarom werd midden door het moeras de Scheene gegraven.
De Scheene (betekent scheiding) is een markante dorpsgrens, die van Spanga tot Oldeberkoop in het landschap te volgen is. De huidige dorpsgrenzen hebben we dus te danken aan de ontwikkelingen in de Middeleeuwen.
Natuurgebied
Sinds ongeveer het jaar 2000 wordt de Rottige Meente als natuurgebied beheerd door Staatsbosbeheer. Daarvoor heeft het nu een eigen waterhuishouding gekregen.

Benodigde wandelgids met Route-app:

WEERRIBBEN WIEDEN, De Natuurgids
Crossbill Guides
Dirk Hilbers
KNNV Uitgeverij (Nederland)
Verkrijgbaar bij De Zwerver
7. Gaasterlân (4 routes)
Snel naar:
- Stavoren – Hindeloopen 15 km
- Bakhuizen – … km
- Rysterbosk – 6,5 km
- Sloten – 9,5 km


Gebiedsbeschrijving
Gaasterlân is een stuwwallengebied langs de IJsselmeerkust, doorlopend als een zandrug richting Joure. Het landschap is zwak golvend met een grote mate aan afwisseling. Het landschapsbeeld wijkt daarmee af van het bekende open Friese klei- en veengebied. De naam Gaasterlân is ontleend aan de gaasten (hoge keileemgronden waar later dekzand op is afgezet.) Karakteristiek zijn de klifjes (Reaklif, Mirnserklif en Oudemirdumerklif). Ze zijn ontstaan door afslag van de vroegere Zuiderzee. Op de hogere delen liggen esdorpen en landgoederen met bossen. Een bekend bos is het Rijsterbos.
Ook de uiterste zuidwesthoek van de provincie wordt tot het gebied gerekend. Met Koudum als grootste bewoningskern. Koudum ligt zelf ook op hoge keileemgrond met daarop dekzand. Het is door lager gebied met klei-op-veengrond afgesneden van het centrale stuwwalgebied. Let er eens op als je daar in de buurt rijdt. Het dorp ligt wel 5 meter hoger dan die klei-op-veengrond.
Op basis van landschappelijke en cultuurhistorische verschillen kan Gaasterlân in de volgende drie deelgebieden worden onderverdeeld:
- Centraal Gaasterlân: de eigenlijke stuwwalkern plus de oostelijke, zandige uitloper richting Joure. Hier werd in de voorlaatste ijstijd keileem afgezet en later is daar dekzand op afgezet.
- Kleigebied Gaasterlân: het westelijk gelegen kleigebied met klei-op-veengronden en vele droogmakerijen.
- De IJsselmeerkust: gedeelte met de klifjes en het havenstadje Stavoren.
(Zie verder de vernieuwde versie (in 2025) van het document Grutsk op ’e Romte (Trots op de Ruimte) van de Provinsje Fryslân.)

Mijn mooiste wandelingen
De onderstaande routes laten de mooiste delen van deze regio zien, van west naar oost.
Stavoren – Hindeloopen 18,2 km (4 + 14,2 km)
Stadswandeling Stavoren (4 km) en lijnwandeling tussen de stadjes (14,2 km).


Parkeer auto bij Station Hindeloopen:
Neem de trein naar Stavoren. Het perron ligt midden in de weilanden op ongeveer een kilometer van het stadje.
Startpunt wandeling:
Stavoren.
Eindpunt:
Station Hindeloopen.
Routemarkering:
Gebruik bovenstaande wandelknooppuntenkaart.
Honden op de dijk:
Aangelijnd toegestaan, maar afgeraden vanwege schapen, hekken en overstapjes.
Beste websites:
Voorbereidingen:
- voldoende drinkwater mee.
- hoofdbedekking mee, want je loopt tijdens zonnige dagen een groot gedeelte van de route in de zon.
- Verrekijker mee
Wandelroutes:
Maak vooraf de stadswandeling ‘Ontdek Stavoren’ van 4 km. Bij de VVV is hiervan een routebeschrijving met routekaart verkrijgbaar. Loop vervolgens vanuit treinstation Stavoren door het achterland naar het mooie Molkwerum (Molkwar).
Net buiten Molkwerum gaat de route de (zee)dijk op richting Hindeloopen. Hier loop je over de kruin van de grasdijk en moet regelmatig (via een klaphekje, overstapje of gewoon over het hek klimmend) van perceel wisselen. Onderweg zul je geregeld schapen ontmoeten. Geniet van de weidse uitzichten over het IJsselmeer. Wel is er hinderlijk veel verkeer over de weg onder langs de dijk. Deze lijnwandeling Stavoren – Hindeloopen St. = 14,2 km

Landpunten
Een landpunt is een in zee vooruitspringend punt van het land (het wordt dus aan drie kanten door water omringd). Tijdens mijn wandelingen zag ik onder andere de volgende voorbeelden:
- Hindeloopen,
- Stavoren,
- Punt van Reide (in Groningen). Dit is een klassiek voorbeeld van een landtong (= een smal schiereiland)
Tussen de landpunten van Stavoren en Hindeloopen heeft de sterke kusterosie van de Zuiderzee een baai uitgesleten: de Bocht fan Molkwar. De voormalige Zuiderzeedijk beschermt hier de kustzone en het achterland tegen de kracht van de golven en het hoogwater.
Het Nederlands heeft vaak twee woorden voor hetzelfde: de ene variant sluit aan bij het Engels (baai – bay) en de andere bij het Duits (bocht – Bucht).
Natuur en landschap Stavoren
Stavoren ligt aan de dijk van het IJsselmeer op de grens met het open Friese landschap. Buiten Stavoren is de omgeving nagenoeg onbebouwd. Het bestaat uit ingepolderd laagveengebied met graslanden voor de veeteelt. Diverse kanalen, vaarten en sloten verbinden de dorpjes en meren met elkaar.
Aan de IJsselmeerzijde van de dijk bevinden zich bij de kribben diverse kleinere strandjes.
Kleigebied Gaasterlân
Het zuidwestelijke deel van Gaasterlân was lange tijd grotendeels bedekt met veen. Aansluitend op de agrarische veenontginningen van het Lage Midden zijn in de 10e of 11e eeuw ook delen van het Gaasterlânse veen in cultuur gebracht. Opstrekkende verkavelingstructuren zijn/waren zichtbaar tussen Koudum en Molkwerum. In het zuidwestelijke deel van de regio werden deze ontginningen weldra met een laag zeeklei bedekt.
De bewoning in dit deelgebied was van oudsher geënt op natuurlijke hoogten. Zo liggen Warns en Koudum op keileemophogingen bedekt met dekzand. Ze zijn door laagten afgesneden van het centrale stuwwalgebied. Rond deze dorpen kwam een esachtige bouwlandverkaveling voor.
In de laagten rond de keileemophogingen domineerde de kleiweide. Deze zone kende een behoorlijk lage bewoningsdichtheid. Het was ook lange tijd rijk aan meren. Gedurende de 17e, 18e en 19e eeuw zijn veel van deze meren drooggelegd. Denk aan de droogmakerijen Noorder- en Zuidermeerpolder ten oosten van Stavoren.
Deze polders liggen laag, zijn deels omgeven door restanten van een ringdijk en hebben vaak een strakke polderverkaveling. Via vaarten staat dit deelgebied in contact met de meren van het Lage Midden.
IJsselmeerkust Gaasterlân
Gaasterlân staat bekend om de kliffen die door eeuwenlange erosie door het water van de Zuiderzee scherp zijn afgetekend. Ze waren onderdeel van het agrarisch cultuurlandschap. Boven op sommige kliffen lagen bijvoorbeeld tûnwallen; een typische perceelscheiding en veekering voor stuwwalgebieden in Noord-Nederland.
De kustzone van Gaasterlân kent naast de klifkusten ook lagere delen met (voormalige) vissersplaatsjes als Molkwerum en Laaksum. De bekendste kunstplaats is havenstad Stavoren met haar roemruchte middeleeuwse verleden waarin onder andere een in zee verdwenen klooster en het Hanzeverbond een rol speelden.
Door de ligging aan de Zuiderzee kende de kustzone een maritieme cultuur. Stavoren en Molkwerum hadden een zeehaven en waren meer gericht op andere Zuiderzeeplaatsen dan op het achterland. Ondanks het belang van de visserij, had Laaksum lange tijd geen eigen
haven. Begin 20e eeuw kwam deze er alsnog.
De Zuiderzee zorgde door de eeuwen heen voor een sterke kusterosie. Zo kwam Stavoren bijvoorbeeld op een soort kaap te liggen en vormde zich tussen Stavoren en Hindeloopen een baai. De voormalige Zuiderzeedijk moest kustzone en achterland beschermen tegen golfslag en hoogwater. Dijksputten en houten paalrestanten herinneren nog aan de fasegewijze ophoging en bijwerking van deze zeedijk. Het dijktracé wordt onderbroken, of omgeleid, bij de klifkusten die
voldoende natuurlijke bescherming bieden. Ook vlucht-/jollenhavens herinneren nog aan het Zuiderzeeverleden.
Door de aanleg van de Afsluitdijk, en het ontstaan van het IJsselmeer, vielen zandplaten als de Mokkebank (bij Bakhuizen) droog. Dit buitendijkse gebied is tegenwoordig een natuurreservaat. Na de afsluiting van de Zuiderzee nam de recreatiesector een grote vlucht langs de Gaasterlânse kust. In 1966 werd het J.L Hooglandgemaal in Stavoren geopend, dat de functie van boezemgemaal van het Woudagemaal overnam.
Stavoren – In de middeleeuwen Nederlands’ belangrijkste internationale handelsstad
Stavoren (Starum in Fries) is de oudste van de elf Friese steden. Ze kreeg al stadsrechten in 1118. Tijdens de Hanzetijd was Stavoren een bloeiende havenstad. Aan het eind van de Middeleeuwen verzandde de haven en kwam er een eind aan de bloei.
Het duurde lang tot Stavoren weer op de kaart kwam. In 1835 werd de spoorlijn naar Leeuwarden geopend, die aansloot op het veer naar Enkhuizen. Dat trok opnieuw bedrijvigheid naar de stad en zorgde ervoor dat je Stavoren nog altijd per trein kan bereiken.
Tussen mei en september vaart enkele malen per dag een veerboot over het IJsselmeer op en neer naar Enkhuizen.
Tegenwoordig herinneren slechts het grachtenstelsel, de graskades aan de Voorstraat en de Oude Zeesluis nog aan het rijke handelsverleden van Stavoren.
Bocht van Molkwar
Dit natuurgebied is een buitendijks gelegen gebied tussen Molkwerum (Molkwar) en Hindeloopen. Het gebied bestaat uit zandplaten (opgespoten), rietland en schraalgrasland. Het is een belangrijk vogelgebied. Het is niet vrij toegankelijk, maar is vanaf de dijk en vanuit de mooie vogelkijkhut goed te bekijken. Loop dus even heen en weer naar die hut. Mogelijk zie je er weidevogels waaronder Zomertaling, Kievit, Scholekster, Grutto en Wulp. En het riet trekt Baardmannetjes, Kleine karekieten, Rietgorzen en Rietzangers aan.
Hindeloopen
Hindeloopen (Hylpen in Fries) is een van de kleinste Friese elf steden.
Het stadje kreeg al in 1225 stadsrechten en bloeide vooral in de 17e en 18e eeuw, toen ruim 80 schepen op Scandinavië en de oostzeelanden voeren. De handel bracht welvaart, zichtbaar in de statige kapiteinshuizen.
Na de 18e eeuw raakte het stadje door concurrentie en handelsbeperkingen in verval en werd ze meer een vissersplaats.
Hindeloopen ontwikkelde een eigen cultuur, dialect, schilderkunst en klederdracht.
Het oude centrum met grachten, bruggen en rijksmonumenten is een beschermd stadsgezicht. Zwerf wat door de straatjes (veel zijn het er niet) en geniet.

… – … km
Rondwandeling vanuit ….

Start- en eindpunt:
…
Routemarkering:
…
Beste websites:
- …
- …

Gebiedsbeschrijving
…
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…
Koptekst
…
…
…
…

Rysterbosk – 6,5 km
Rondwandeling door een prachtig oud wandelbos aan het IJsselmeer

Startpunten:
- bij de hoofdingang van het Rysterbosk
Fr. Van Swinderenlaan - bij het Mirnserklif
Murnserdyk 46A,
8573 WP Mirns
Routemarkering:
Blauwe paaltjes
Wandelkaart:
Zie hierboven.
Honden:
Aangelijnd toegestaan.
Beste website:

Gebiedsbeschrijving:
……
Rabatten
….
…

Sloten – 11,2 km (1,7 + 9,5 km)
Stadswandeling en rondwandeling door weidegebied rond Sloten en Wijckel


Er zijn twee routeverbeteringen (rode streepjeslijnen) aangebracht:
• Loop via het mooie Arend- en Jeltsje Paadsje (en Jurjen- en Geatsje Paadsje)
• Loop langs het Sleattener Mar in plaats van over de weg Lytse Jerden.
Parkeergelegenheid:
Parkeerplaats de Rûnwei (gratis) bij het Toeristisch Overstappunt (TOP) Sloten, Haverkamp, 8556 AC Sloten.
Start- en eindpunt:
- De stadswandeling start bij VVV Sloten, Heerenwal 48.
- De rondwandeling start bij wandelknooppunt 19. Dit ligt iets ten noorden van de VVV.
Routemarkering:
Grotendeels met bovenstaande wandelknooppuntenkaart. Ook de rest is eenvoudig te vinden met behulp van het topokaartfragment.
Honden:
Aangelijnd toegestaan.
Beste website:
Weg van Wandelen
Voorbereidingen:
- voldoende drinkwater mee.
- hoofdbedekking mee, want je loopt tijdens zonnige dagen een groot gedeelte van de route in de zon.
- Verrekijker mee
Maak eerst de stadswandeling:
Deze heet ‘Ontdek Sloten’ en is 1,7 km.
De VVV heeft daarvan een routebeschrijving met routekaart.
Doe daarna bovenstaande rondwandeling van 9,5 km.

Sloten
Sloten (Fries: Sleat) is de de kleinste vestingstad van Nederland en de kleinste Friese Elfstedenstad. De historische structuur van dit stadje is nog bijna geheel intact en heeft een doorsnede van nog geen 500 meter. Beeldbepalend voor Sloten is ‘het Diep’, de vaarweg die de Vesting Sloten doorsnijdt en aan beide zijden is afgesloten door een waterpoort. Aan weerszijden van deze gracht ligt de aaneengesloten historische bebouwing langs een relatief brede met oude linden beplante en grotendeels door veldkeien bestrate kades. Haaks op het Diep ligt een middeleeuwse weg, tegenwoordig de in elkaars verlengde liggende Koe- en Dubbelstraat. Het vestingstadje wordt daardoor in vieren gedeeld waarbij de kruising van gracht en straat de oorsprong van de nederzetting vormt.
Bijzonder is dat Sloten één van de weinige Nederlandse steden is met vrijwel geen bebouwing buiten de vestingwallen. Hierdoor heb je vanaf de vestingwal een bijzonder fraai uitzicht op het weidse Friese landschap. Op één van de bastions staat naast de Lemsterwaterpoort de gezichtsbepalende stellingmolen ‘de Kaai’. Sloten is dan ook één van de mooiste vestingsteden van Nederland en één van de mooiste historische steden en dorpen van Friesland. Het compacte stadje heeft slechts 680 inwoners, waarvan er ongeveer de helft binnen de stadswallen wonen.
(Zie verder Discover NL)
Oostelijk Gaasterlân
In Oostelijk Gaasterlân loopt het zandlandschap vanaf Wijckel via betrekkelijk smalle, langwerpige hoogten door tot aan Joure. Van oudsher rekent men Tjerkgaast, Sint Nicolaasga en Joure tot de agrarische veenontginningen. De dorpen kennen dan ook een opstrekkende verkaveling. Doordat het veen door de veenontginningen verdween, kwamen de karakteristieke zandeilanden – gaasten – bloot te liggen. Dat zijn keileemophogingen waar later dekzand op is afgezet. Deze stevige ondergrond maakte dat er in Joure en Sint-Nicolaasga eveneens landgoederen, bossen, singels en lanen zijn aangelegd. Hen rekenen we dus nog bij Gaasterlân, maar het is duidelijk dat meteen buiten die keileemophogingen alles op en top Lage Midden is.
Tijdens de wandeling naderen we Wijckel vanuit het oosten. Dan zien we duidelijk dat het ook op zo’n zandeiland, een gaast, ligt. Het dorp ligt enkele meters hoger dan het omliggende open veenweidelandschap en het terrein is er zwak golvend.
Breimer bûtefjild
We zien hier een open veenweidelandschap. Dat open karakter heeft deze omgeving al eeuwen. De gebieden rond het historische vestingstadje Sloten werden destijds namelijk open gehouden voor een vrij schootsveld. Ook het grondgebruik is hier al eeuwen hetzelfde, namelijk hooiland.
Het Breimer bûtefjild (buitenveld) was het stuk landbouwgrond dat ver van de boerderij af lag. Dit was in het verleden de schralere, extensief gebruikte grond. Het werd gebruikt om jongvee te weiden of om (kruidenrijk) hooi te winnen. Het land lag simpelweg te ver weg voor intensief gebruik zoals voor de dagelijkse melkkoeien.
Hier hebben we een goed weidevogelgebied. Weidevogels zijn vogels die in hoofdzaak op de grond in grasland broeden. Denk aan:
- Steltlopers als Kievit, Scholekster, Grutto, Tureluur en Wulp.
- Eenden als Slobeend en Zomertaling.
- Kleine zangvogels als Veldleeuwerik, Graspieper en Gele kwikstaart.
We lopen er over enkele leuke paadjes.

Wikelerbosk: van lusthof tot wandelbos
Het oorspronkelijk bos dateert al vanaf 1680 en is aangelegd op initiatief van Menno van Coehoorn. De inrichting van het landgoedbos is gebaseerd op een mix van twee landschapsstijlen, de Franse (rechte lanen) en Engelse stijl (kronkelende paden).
Het bos staat bekend om zijn stinzenflora, met kenmerkende vegetaties als Vingerhelmbloem en Adderwortel. En Daslook bedekt in het voorjaar de hoge bult achter de kerk met een tapijt van witte bloemen.
Het bos wordt veelvuldig benut om te wandelen, vooral door omwonenden die er hun honden uitlaten. In het bos ligt een grasveld dat wordt begraasd door schapen en ’s winters als ijsbaan wordt gebruikt. Op een ander grasveldje kan worden gesport.
De huidige bossamenstelling heeft zich grotendeels ontwikkeld vanuit voormalig eikenhakhout op rabatten. Het bos bestaat meest uit Zomereik en vrij veel Gewone Es en Gewone Esdoorn. Aan de zuidkant, op een heuveltje, staan oude Winterlinden. Jong opgaand bos en struiklagen zijn vrij goed vertegenwoordigd, maar op veel plaatsen aan de westkant is de bodem weelderig bedekt met Braam.
De gevederde bevolking bestaat voornamelijk uit typische bosvogels, zoals bijv. Grote Bonte Specht, Boomkruiper, Winterkoning, Merel, Bosuil, Gaai.
En tot slot vormt het Wikelerbosk voor de das een belangrijke schakel in de verbinding vanuit het kerngebied van Gaasterlân naar Zuid-oost Friesland.

Menno van Coehoorn
Menno van Coehoorn (1641–1704) was een beroemde Nederlandse vestingbouwkundige. Hij ontwierp een serie linies die de grenzen van de Republiek moesten beschermen tegen invasies. Het was zijn idee de vestingsteden en linies aaneen te rijgen, tot een keten, met vlaktes die je onder water kunt zetten en met forten en schansen op strategische plaatsen.
Zijn grafmonument bevindt zich in de kerk in Wijckel.
Sleattener Mar
Op de grasdijk waren hier in 2026 een aantal schrikdraadnetten met in 2026 kleine, gevaarlijke overstapjes. Er is een betere methode. Duw met je ene wandelschoen het elastische net omlaag en stap er dan met het andere been over. Zo leerde ik dat van een schapenboer.
Tip:
Kijk ook eens bij mijn andere paden in Nederland.
12